Nieuw elan gevraagd voor federaal Europa

Voorwaarde voor het verbeteren van de te lage betrokkenheid van de burger bij Europa is dat Nederland zijn eigen identiteit bewaart en goed oplet wat in Brussel wordt bekokstoofd, zo zei staatssecretaris Atzo Nicolaï van Europese Zaken vorige week in een inleiding over het thema `Europa en de burgers'. Tegelijkertijd moet Europa volgens hem democratischer, transparanter en slagvaardiger worden om aansprekend voor de burgers te kunnen zijn. Dat kan alleen maar, aldus de staatssecretaris, door nationaal te doen wat nationaal kan.

Met deze opvatting kan men het moeilijk oneens zijn. Toch zit er iets meer aan vast. We zijn we er niet door Brussel te zien als een complement op onze eigen natiestaat, waar behalve veel bureaucratie soms ook wel eens wat nuttigs uitkomt, zoals de door de staatssecretaris genoemde voorbeelden als de dodehoekspiegel voor vrachtwagens, het recht om in een andere lidstaat te werken en het verbod op enkelwandige olietankers.

Er moet dus meer gebeuren voor het structureel verbeteren van de betrokkenheid van de burgers bij Europa. Maar, wat dan wel?

Mij lijkt het grootste knelpunt vooral de erosie van het historisch bewustzijn onder de burgers en politici. Kenmerkend daarvoor is het afglijden van de Nederlandse opstelling binnen Europa van voorvechter van een federatieve Europese staat naar vurig deelnemer aan de intergouvernementele belangenstrijd, alsof er sprake zou zijn van een tijdloze permanente strijd om de voordelen van Europa.

Dit is niet zonder risico, omdat we dan gemakkelijk uit het oog verliezen waarom Europa zo belangrijk voor ons allen is. Dat is niet in de eerste plaats het realiseren van een Europese kenniseconomie in 2010, maar veeleer het duurzaam stabiliseren van langdurig instabiele geopolitieke verhoudingen binnen Europa.

De val van het IJzeren Gordijn betekent in dit geval niet het einde van de geschiedenis, maar een wezenlijke stap in een ontwikkelingsproces dat nog niet af is. Ook de aanstaande uitbreiding past in dit proces.

De toekomstige stabiliteit en welvaart van Europa zijn in deze optiek niet gediend met een quasi tijdloze intergouvernementele belangenstrijd met steeds wisselende winnaars en verliezers.

Ik pleit er daarom voor dat de Nederlandse regering een hernieuwd elan ontwikkelt voor een federatief Europa. Pas dan is de betekenis van Europa goed uit te leggen aan de burgers.

In het verlengde daarvan kan het Europees burgerschap, waarvoor ook de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (die het debat `Hart voor Europa' organiseerde, waar staatssecretaris Nicolaï optrad) een warm pleidooi houdt, op een zinvolle wijze gestalte krijgen.

Dat burgerschap moet dan niet alleen inhoud krijgen op basis van politieke rechten, maar zeer zeker ook op basis van sociale rechten. Ons land zou zich in dit verband sterk kunnen maken voor het daadwerkelijk gaan vormgeven van een toekomstige Europese verzorgingsstaat.

Enige afzwakking van het subsidiariteitsbeginsel (dat verantwoordelijkheid op een zo laag mogelijk niveau legt) is daarvoor noodzakelijk. Zo'n Europese verzorgingsstaat is temeer noodzakelijk omdat de legitimiteit van de politiek op zowel nationaal als internationaal niveau in zeer belangrijke mate is gaan afhangen van sociale herverdeling.

Burgers zijn zich in dit verband meer en meer gaan identificeren met wat de Franse sociologe Schnapper heeft aangeduid als een `Démocratie Providentielle'. Laten we daaruit en uit de historische lessen van Europa de juiste consequenties trekken. Pas dan zal daadwerkelijk sprake kunnen zijn van duurzaam betrokken burgers bij Europa.

Prof. dr. Erik de Gier is directeur van SISWO/Instituut voor Maatschappijwetenschappen en hoogleraar Sociaal Beleid aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Erik de Gier