Huldigen van mooie waarden zegt niks

Er is geen sprake van dat Nederland zou twijfelen over de aangehangen normen en waarden en ook verkeert het land niet in morele ontreddering of onzekerheid, betoogt Jan Willem Duyvendak.

Normen en waarden spelen in de discussie over de toekomst van Nederland als multi-etnische samenleving een grote rol. Dit gebeurde lange tijd vanuit de gedachte dat Nederland een tolerante natie was. We zagen onszelf bovendien als een pluriform land (want anders was er weinig reden om tolerant te zijn). Deze pluriformiteit had niet alleen te maken met de komst van migranten, maar evenzeer met autochtonen die allemaal waren geïndividualiseerd. Sinds Nederlanders vrije keuzes mochten maken, was de diversiteit van de bevolking enorm toegenomen. Iedereen hing zijn eigen geloof aan.

De diversiteit qua waardenoriëntaties is echter een mythe, zo blijkt bij lezing van het gisteren verschenen WRR-rapport. Ook in mijn eigen onderzoek word ik steeds weer getroffen door de grote mate van eenstemmigheid van Nederlanders met betrekking tot kwesties op de meest uiteenlopende gebieden. Kijken we naar opvattingen op het gebied van zeden dan keurt 84% een buitenechtelijke relatie af, keurt daarentegen 90% een seksuele relatie voor het huwelijk goed, evenals dat 79% dat voor homoseksualiteit doet. Tussen 1965 en 1997 daalde de opvatting dat gehuwden gelukkiger zijn van 60% naar 14% en wat verder van de zeden af verminderde in dezelfde periode het percentage respondenten dat buitenshuis werken van vrouwen bezwaarlijk vond van 84% naar 18%. Op het terrein van religie kent Nederland een heel hoog percentage ongelovigen (nog maar 24 % geloofde in 1997 in God) maar desalniettemin is 85% van de gehele bevolking het oneens met de stelling dat het een goede zaak zou zijn als de kerken zouden verdwijnen.

Deze cijfers krijgen nog meer reliëf door ze te vergelijken met andere Europese landen. Nederlanders zijn van alle Europese landen het minst van mening dat gehuwden gelukkiger zijn; het meest van iedereen van opvatting dat echtscheiding acceptabel is (ook als er nog kinderen thuis wonen); veruit het meest overtuigd dat homoseksualiteit acceptabel is; het minst overtuigd van de stelling dat vrouwen eigenlijk een gezin willen; het meest van mening dat privé-leven voor werk gaat en het minst eens met de stelling dat we ,,beter af zouden zijn als we weer op de traditionele manier gingen leven''.

Opvallend is bovendien dat de verschillen tussen generaties bij veel kwesties relatief klein zijn. Deze homogeniteit valt te verklaren uit het feit dat deze opvattingen al zo'n 35 jaar bij grote delen van de bevolking bestaan. Opvallend aan de Nederlandse jaren '60 en '70 was namelijk niet alleen het enorme tempo waarmee opvattingen zich wijzigden, maar ook dat het hier grote delen van de bevolking betrof. Zo sprong tussen 1965 en 1970 het percentage voorstanders van jij-zeggen tegen ouders van 31% naar 46% en daalde het percentage voorstanders van de stelling dat het meisje maagd moet blijven tot ze trouwt in dezelfde vijf jaar van 69% naar 32%.

Nederlanders hebben dus zeer uitgesproken én eensgezinde meningen. Dat heeft in een aantal gevallen tot meer ruimte voor nieuw gedrag geleid, maar in andere gevallen juist tot grote afkeuring van gedrag dat niet met deze opvattingen spoort. Nederland is, anders dan velen recentelijk in het kader van de discussie over multiculturaliteit hebben beweerd, geenszins vertwijfeld over de aangehangen normen en waarden. Er is ook geen sprake van een land dat in grote morele ontreddering en onzekerheid verkeert. Integendeel: de individuele normatieve onzekerheid neemt sterk af. Dit gaat overigens gepaard met pessimisme over de normen en waarden van anderen. Vanuit een heldere eigen mening kan blijkbaar een duidelijk standpunt over anderen worden ingenomen.

Dat gebeurt met name met betrekking tot migranten. Het onderscheid tussen `wij', verlichte westerlingen en `zij', achterlijke migranten, wordt vooral gemaakt op basis van waarden. De gelijkheid van mannen en vrouwen en de acceptatie van homoseksualiteit lijken hierbij, naast de scheiding van kerk en staat, de belangrijkste elementen van de lakmoesproef voor geslaagde culturele integratie te zijn. Waar in andere landen de autochtone publieke en politieke opinie zelf stevig verdeeld is over kwesties rondom gender en seksualiteit, daar schaart welhaast het gehele autochtone politieke spectrum in Nederland zich achter progressieve waarden.

Gelet op de waardenoriëntaties van de Nederlandse bevolking hoeft deze ontwikkeling niet te verbazen. Sterker, alleen in Nederland lijkt deze ontwikkeling mogelijk juist door de hoge mate van homogeniteit. Terwijl in Frankrijk het belang van assimilatie aan Franse normen en waarden wordt gepropageerd vanuit de angst dat de reeds diepverdeelde autochtone samenleving nog verder uit elkaar valt door de immigratie, kan de assimilatiewens in Nederland hegemoniaal worden door de bestaande homogeniteit van de autochtone bevolking. Waar anders zou een homoseksuele dandy zo velen uit zulke verschillende lagen van de bevolking hebben kunnen aanspreken?

In hoeverre deze progressief-homogene waardenoriëntatie tot blijvende integratieproblemen voor migranten leidt, valt overigens nog te bezien. Zo valt uit onderzoekscijfers weinig steun te putten voor het polariseren van autochtonen en allochtonen op basis van `waarden'. SCP-onderzoeker J. Dagevos concludeerde in de WRR-publicatie `Perspectief op integratie' (2001): ,,Dat etnische minderheden traditionele rolopvattingen zouden hebben, wordt niet bevestigd door de uitkomsten van dit onderzoek''. Er zijn enerzijds zeker (nog) problematische verschillen met sommige migranten op punten als de gelijkheid van mannen en vrouwen en de acceptatie van homoseksualiteit. Anderzijds laat Dagevos' onderzoek verrassend genoeg zien dat Nederlands-Marokkaanse meisjes en Hollands-Surinaamse jongens progressiever zijn als het gaat om gendergelijkheid dan autochtone meisjes respectievelijk jongens. Ook het SCP constateert in 2003 dat de tweede generatie er `modernere' opvattingen op na houdt dan de eerste generatie.

In plaats van te blijven suggereren dat alle migranten qua waarden totaal anders zijn, lijkt het vruchtbaarder om elkaar aan te spreken op concreet gedrag. Want, en dat geldt zowel voor autochtonen als allochtonen, het aanhangen van mooie waarden zegt soms nog bar weinig over wat men in de praktijk doet.

Morele paniek over een land dat zijn waarden niet meer zou kennen is dus niet nodig. Integendeel, in dit meest seculiere land van de wereld staan de waarden als een huis. De vraag is wel wat de betekenis is van deze gedeelde waarden. In een achtergrondstudie voor de WRR laat ethicus Gerard de Vries fraai zien dat dergelijke waarden feitelijk weinig bindingskracht hebben: een moderne samenleving wordt niet door waarden bijeengehouden maar door een ,,ragfijn en uitgebreid netwerk van voorzieningen en praktijken''. Des te pijnlijker is de constatering dat waar waarden niet kunnen binden, ze in het huidige debat wel worden ingezet om burgers te verdelen.

Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.