Hanenbalk

José Maria Jiménez werd 32 jaar oud. Zaterdagnacht overleed hij aan een hartstilstand. De Spaanse wielerwereld reageerde geschokt maar ook gelaten. Zijn dood kwam niet onverwacht, alleen, men had een andere dood voor ogen gehad.

Twee winters geleden raakte Jiménez het spoor volslagen bijster. Het drijfzand van een depressie trok hem het nachtleven binnen, zijn BMW raakte op een van de omzwervingen zwaar beschadigd. In een volgend stadium werd hij onbenaderbaar. Ten slotte was hij onvindbaar.

De onvindbaarheid behoorde tot de behandelmethode van psychiater Sherzman van de kliniek waarin hij was opgenomen. Sherzman achtte contact met de buitenwereld onwenselijk want onnodig kwetsend. Later zei Jiménez: `Ik heb ervaren hoe hard het leven kan zijn, hoeveel van het slechte sommigen in zich hebben'.

,,Het valt me op dat het juist de introverte klimmers zijn die voor de bijl gaan'', meldde iemand in een e-mail. (Jiménez was inderdaad een begenadigd klimmer. Als hij er tenminste zin in had.) Ach, sprinter of klimmer, de depressie heeft vele nuances.

Radeloosheid, depressie, topsport, ze kunnen niet meer zonder elkaar. Geen week gaat voorbij of een depressieve voetballer verdwijnt in de psychische gipskamer. Boris Becker opent zijn autobiografie met de zin: `Het was een koele oktobernacht, toen ik mijn vrouw de opdracht gaf mij dood te schieten'. Over het leven van de Finse oud-skispringer Matti Nykänen is een film in de maak. Het wonder Nykänen overwoog zelfmoord en was onder meer verslaafd aan drank en pillen.

In 2000 verscheen het boek `De Zaak Festina' door Eric Rijckaert, gewezen ploegarts van Festina en een van de hoofdverdachten in De Zaak. Eindelijk sprak een verstandig mens zich uit over de gevangenschap van de renner in `een socio-economisch model' dat hem weerloos maakt. In dit boek las ik voor het eerst over het toedienen van antidepressiva als buffer tegen hersenuitputting bij langdurig molesteren van het lichaam (in de beklemming van het socio-economisch model).

Ik dacht niet: verrek, waarom zijn wij daar niet opgekomen. Ik dacht: wat hadden wij het toch makkelijk in de losse jaren tachtig. Totdat de gezichten voor mijn ogen begonnen te dansen van hen die de pedalen hadden omgeruild voor de hanenbalk – het waren er nogal wat. De sportieve depressie was al onder ons, ze had alleen nog geen naam.

En dan de gezichten van de stumpers die achter de muren van gestichten en ontwenningsklinieken verdwenen. Ja, achter de muren bestonden namen en realiteiten. Het peloton had daar geen zaak mee. Het sprak over pech, en raasde voort.

Rijckaert nodigde als het ware uit om in de eigen herinnering te speuren. Leed ik aan sportdepressies? Rondom de geboorte van een koningskind houd ik het graag gezellig. Maar een hele mooie was die van de Sierra Nevada, tijdens de laatste dagen van de Vuelta 1986.

Wellicht dat ik die op deze plaats nog eens beschrijf.