Futen met stadse manieren

Vleermuizen op de Dam, haringen in het IJ. Een groeiend aantal dieren voelt zich thuis in de grote stad. Een wandeling door Amsterdam met stadsbioloog Remco Daalder.

Vroeger had Amsterdam een beperkt vogelbestand: er waren daksijssies en drijfsijssies, meer niet. Maar in het begin van de 21ste eeuw zijn futen, aalscholvers en halsbandparkieten heel gewone vogels in de stad. Er zijn zelfs al als schuw bekend staande Vlaamse gaaien gesignaleerd in de binnenstad.

Amsterdam telt dertig soorten zoogdieren, er broeden honderdveertig soorten vogels en in de Amsterdamse wateren leven zestig soorten vissen, schrijft Remco Daalder, de stadsbioloog van Amsterdam, in Baltsen tussen baksteen, een bundeling van vermakelijke columns uit het Amsterdams Stadsblad. Rucola groeit tussen de stenen in de Staatsliedenbuurt, vleermuizen bezoeken de Dam, gierzwaluwen vliegen door de Kalverstraat en reigers staan geduldig te wachten naast de haringkar bij de Haarlemmerdijk. ,,De haring die je bij de haringkar koopt, zwemt gewoon in het brakke water van het IJ'', vertelt Daalder, terwijl we door de Amsterdamse binnenstad wandelen. ,,En in de grachten wemelt het van de spiering.''

Toch durft hij niet te zeggen dat er nu meer soorten dieren en planten in de stad leven dan vroeger. ,,Zeker is alleen dat ze nu vaker worden gesignaleerd'', zegt Daalder. ,,We zijn veel beter gaan kijken. In de 20ste eeuw heeft zich een grote belangstelling voor de natuur ontwikkeld. Die wordt gevoed door boeken, gidsen en niet te vergeten internet. Er bestaat bijvoorbeeld pas sinds een paar jaar een goede libellengids. En dus krijg ik nu meldingen van Amsterdammers van libellen die ze in de stad hebben gezien en heel precies gedetermineerd. Zo heb je tegenwoordig ook amateurs die gespecialiseerd zijn in pissenbedden. Er is in Amsterdam zelfs een wantsenspecialist.''

De stukken in `Baltsen tussen baksteen' gaan lang niet altijd over de Amsterdamse flora en fauna. ,,Als stadsbioloog richt ik me ook op de dominante diersoort van deze stad'', zegt Daalder hierover, terwijl we in de Verversstraat lopen. ,,En dat is de mens. Voor de mens is de stad de beste plek om te leven. Daar kunnen ze het best in hun onderhoud voorzien en vinden ze het gemakkelijkst onderdak, eten en niet te vergeten seks. Maar ook voor veel andere dieren is de stad de beste plek. Ze vinden er beschutting en voedsel. In een stad is het ook altijd een paar graden warmer dan op het platteland en dat kan in de winter cruciaal zijn om te overleven.''

Ook planten maken gebruik van de stad. Aangekomen op het Zuiderkerkhof, blijven we staan bij een grote, scheefstaande esdoorn. ,,Kijk'', zegt Daalder. ,,Sinds kort weten we dat ook bomen hun omgeving waarnemen. Deze boom heeft het hek voor hem opgemerkt en is die als steun gaan gebruiken. Als je het hek weghaalt, valt de boom om, hoewel hij kerngezond is.''

Lopend langs de Stopera, wijst Daalder op de woonboten in de Amstel. ,,Woonboten zijn de rietkragen van Amsterdam'', zegt hij. ,,Op grachten zonder woonboten zie je nauwelijks watervogels. Ze bieden niet alleen beschutting aan de watervogels, maar ook gaat het raam open en krijgen ze brood of ander eten toegeworpen.''

Hoe voorheen schuwe dieren als futen en roofvogels de stad hebben ontdekt, weet Daalder niet precies. ,,De eerste fuut werd in 1985 in Amsterdam gesignaleerd'', zegt hij. ,,Het moet toch ongeveer zo zijn gegaan: de eerste fuut was gewoon nieuwsgierig, en zwom de stad eens in. Hij merkte dat het daar goed toeven was. Toen hij later weer eens de stad in zwom, werd hij gevolgd door een andere fuut. Nu broeden er 350 paren in de stad. Hoe goed ze zich voelen in de stad, blijkt uit het feit dat ze meer jongen krijgen dan op het platteland.''

De stadsdieren hebben ook stadse manieren gekregen. Ze zijn bijvoorbeeld minder schuw dan op het platteland. ,,Dezelfde eend die in de stad uit je hand eet, vliegt in de polder al weg als je hem tot 40 meter bent genaderd'', vertelt Daalder terwijl we langs een groepje kwekkende eenden lopen. ,,Ze weten dat ze niets te vrezen hebben van stadsbewoners, maar wel van boeren en jagers in de polder.''

Voor Daalder is dit een van de vele bewijzen dat de natuur geen statisch maar een dynamisch geheel is: de natuur verandert steeds. ,,Vroeger zag men de natuur als een onveranderlijk, stabiel geheel en als het tegendeel van de stad en de cultuur. Maar als je naar Amsterdam kijkt, moet je vaststellen dat die tegenstelling eigenlijk niet bestaat. Dieren passen zich aan aan andere, nieuwe omgevingen. Niet allemaal natuurlijk: ik zie niet gauw een edelhert in het Amsterdamse Bos verschijnen of zeearenden boven de grachten. Maar voor veel dieren bestaat er geen verschil tussen woonboten en rietkragen.''

Remco Daalder: Baltsen tussen baksteen. Beesten in de stad. Uitg. Bas Lubberhuizen. €16,50

    • Bernard Hulsman