De grote Boonoorlog

Er woedt een kleine oorlog in de wereld van de Louis-Paul Boonstudies. Of eigenlijk een steeds minder kleine oorlog. Dat blijkt uit het nieuwe nummer van Boelvaar Poef, het tijdschrift van het Louis Paul Boon Genootschap, geheel gewijd aan een artikel van Jan van Hattem – volgens de inleiding een fragment uit een boek-in-wording over ,,mythevorming rond een aantal schrijvers uit ons taalgebied, waarvan nog niet eens bij benadering een publicatietermijn gegeven kan worden''.

De passages over Boon zijn er al en ze zijn niet mals. Van Hattem richt zijn pijlen op het Louis Paul Boon Documentatiecentrum, waarmee hij enkele jaren geleden al in ernstig conflict kwam over de publicatie van de door hem gemaakte Boon-bibliografie. ,,Opstapeling van gegevens lijkt het credo'', schrijft hij over het aan de Antwerpse universiteit gevestigde instituut. ,,De herhaalde, rumoerige presentatie van alsmaar hetzelfde, hoewel anders verwoord, op steeds weer andere plaatsen, zal de trommelvliezen van menigeen inmiddels hebben doen scheuren.'' Zo raast Van Hattem tientallen pagina's door, vooral over Boon-biograaf Kris Humbeeck. ,,Ook het Booncentrum tracht haar concurrenten te knevelen, zelfs uit te schakelen door sprankelend geschreven polemieken te voeren, echter zonder met overtuigende onderzoeksresultaten te komen.'' Hij roept in herinnering hoe Joris-Ivensbiograaf Hans Schoots ,,als Boon-biograaf door Kris Humbeeck [werd] gevloerd in een vulgaire bokswedstrijd''. En hij wijst erop dat de meermalen aangekondigde biografie door Humbeeck nog altijd niet gereed is gekomen.

Van Hattem is boos, maar heeft hij ook gelijk? Heel eenvoudig is dat niet te beoordelen, want een uitgesproken helder essayist is hij helaas niet. Toch heeft hij hier en daar een punt. Zo maakt hij redelijk aannemelijk dat Mijn kleine oorlog door de auteur was bedoeld als een journalistiek project en uiteindelijk ,,een bundel cursiefjes''. De belangrijkste theorie die Van Hattem ontvouwt, gaat over de ontstaansgeschiedenis van Boons debuut, De voorstad groeit. Het manuscript van dat boek werd in 1942 bekroond met de L.J. Krynsprijs – volgens de later ook door Boon gretig verspreide mythe meende de jury met een mystificatie van Gerard Walschap van doen te hebben. Humbeeck hecht wel enige waarde aan de `Walschap-sage', Van Hattem moet er helemaal niets van hebben. Dat ondersteunt hij met interessante aanwijzingen zoals dat de jury bij het lezen van de tekst al op de hoogte was van de identiteit van de auteur. Sterker, Van Hattem is ervan overtuigd dat het vooraf al de bedoeling was van de organiserende Uitgeverij Manteau dat de prijs naar de socialist Boon zou gaan, om het ,,enigszins zwarte'' blazoen van de uitgeverij wit te wassen. In die totaaltheorie overtuigt Van Hattem niet echt, daarvoor zijn er veel te weinig gegevens. Dat neemt niet weg dat de opschudding die van Van Hattem in Boonland ongetwijfeld zal veroorzaken, een zegen is voor de studie naar de belangrijkste Vlaamse schrijver van de vorige eeuw. Het is ook bemoedigend te zien wat Boon bijna een kwarteeuw na zijn dood nog losmaakt.

Boelvaar Poef. Kwartaalblad van het Louis Paul Boongenootschap. Derde jaargang, nummer 3. Herfst 2003. €8,50