Beschaafd gezelschap

Morgen is het vijfenvijftig jaar geleden dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aanvaard. Morgen is het ook de Internationale Dag voor de Rechten van het Dier. Dat is geen toeval uiteraard. De organisatoren van de dag hebben de tiende december uitgekozen omdat zij willen dat de door hen opgestelde Universele Verklaring voor de Rechten van het Dier wordt erkend, het liefst als een officiële uitbreiding van de mensenrechtenverklaring. Op die manier willen zij vastleggen dat dieren niet mogen worden onderdrukt of geëxploiteerd ten behoeve van wetenschap, sport, voedselvoorziening of welke commerciële doeleinden dan ook. Ook Nederlandse dierenliefhebbers zullen komende woensdag aangrijpen om duidelijk te maken dat zij achter deze verklaring staan. Dit alles gedurende een bijeenkomst op het Binnenhof en tijdens een stille tocht ter herdenking van alle apen die sinds 1960 in het Biomedical Primate Research Center (BPRC) te Rijswijk als proefdier de dood vonden.

In deze krant is recentelijk veel aandacht besteed aan de niet altijd even transparante wereld van dierenactivisten. Onlangs lanceerde redacteur Tom-Jan Meeus een serie over dit onderwerp. Een onderdeel daarvan was het artikel met de kop `Dierenactivist verrechtst'. Meeus stelt dat organisaties ter bestrijding van dierenleed steeds vaker meedeinen op de rechts-conservatieve trend die sinds de opkomst van Fortuyn zichtbaar is geworden. Dat is een interessant gegeven daar dierenactivisten juist mede door Volkert van der G. de afgelopen tijd meer en meer met links extremisme zijn geassocieerd en binnen de rechts-conservatieve kring op z'n zachtst gezegd een slechte naam hebben gekregen. Maar hoe opmerkelijk ook, sympathie voor de bestrijding van dierenleed van andere dan links georiënteerde personen, is geen nieuw fenomeen. Zeker niet waar het gaat om het anti-vivisectionisme, de strijd tegen medisch-wetenschappelijke proeven op levende dieren. De hedendaagse strijders tegen dierproeven zijn voorgegaan door onder andere Anton Mussert en Meinoud Rost van Tonningen die in de jaren dertig van de twintigste eeuw op de ledenlijst van de in 1931 opgerichte Anti-Vivisectie-Stichting te vinden waren. Ook de eerbiedwaardige voorman van de kleine luyden, Abraham Kuyper, had een weerzin tegen het snijden in levende dieren hetgeen hij eind negentiende eeuw vertaalde in een lidmaatschap van de toen net opgerichte Nederlandse Bond tot Bestrijding der Vivisectie.

Nu is het zeker niet zo dat de toenmalige beweging tegen vivisectie een gereformeerd dan wel nationaal-socialistisch gezelschap was. Mensen van allerlei signatuur waaronder de schrijvers Arnold Aletrino en Marcellus Emants waren er lid van. Maar uit dat feit kan ook weer niet geconcludeerd worden dat de beweging tegen vivisectie geheel politiek neutraal was. Toen in Nederland rond 1936 het gerucht doordrong dat de nationaal-socialisten vivisectie in Duitsland bij wet verboden, verzuchtte menig anti-vivisectionist dat in Hitler eindelijk een sterke persoon was gevonden die het op kon nemen tegen het barbaarse materialisme dat met name veel medici door het martelen van onschuldige dieren tentoonspreidden. Met enig leedvermaak werd vermeld dat artsen die zich aan het uitvoeren van dierproeven schuldig maakten, in speciale daartoe opgerichte kampen gevangen werden gezet.

Dergelijke opmerkingen kwamen niet alleen voort uit onwetendheid. Al vanaf de negentiende eeuw bestond er een verband tussen anti-vivisectionisme en antisemitisme. Tegenstanders van vivisectie in Duitsland en Zwitserland koppelden hun strijd tegen dierproeven niet zelden aan een vaak nog fanatiekere strijd tegen het joods gebruik van ritueel slachten. Door middel van pamfletten met daarin beschouwingen over de verwerpelijkheid van het joodse volk werd de barbaarsheid van de slacht in geuren en kleuren uit de doeken gedaan. Het vertoog viel in goede aarde bij menig cultuurdrager waaronder bijvoorbeeld de componist Richard Wagner. In Engeland waar koningin Victoria een van de belangrijkste tegenstandsters van dierproeven was, bestond het verband tussen jodenhaat en de strijd tegen dierproeven eveneens. In Engelse anti-vivisectionistische geschriften werd zelfs expliciet een verband gelegd tussen de opkomst van het materialisme, het toenemend aantal dierproeven en het judaïsme. Ook Nederlandse strijders tegen vivisectie lieten zich wat dit soort associaties betreft niet onbetuigd. Zij beschreven de proefdieren waar zij voor opkwamen als Christusachtige figuren, de proefnemingen op deze wezens als kruisigingen en de wetenschappers die deze verrichtten als de materialisten (lees joden) die Christus naar hartelust keer op keer opnieuw kruisigden.

In het hedendaagse vertoog van de tegenstanders van dierproeven komen dergelijke vergelijkingen niet voor. Toch is de traditie van het beschimpen of verdacht maken van specifieke culturen of religies niet geheel uit het arsenaal van de strijders voor dierenrechten verdwenen. Onlangs voerde de dierenactivist Ralph Hahnheusser, ham aan Australische schapen om deze onrein voor moslims en daarmee ongeschikt voor de export naar islamitische landen te maken. Op enkele buitenlandse veganistische en anti-vivisectionistische websites wordt bovendien een expliciet anti-islamitisch standpunt ingenomen. Erg verwonderlijk is dat allemaal niet. Mensen die begaan zijn met het welzijn van dieren zien hun strijd nu eenmaal als een teken van beschaving. Volgens hen wordt een beschaafde wereld gekenmerkt door het bestaan van dierenrechten en een beschaafd mens door bijvoorbeeld zijn vleesloos dieet en verder een consequente levenshouding. Iemand die niet aan dit zogeheten straight edge profiel voldoet, is in de gedachten van de meest radicale dierenactivisten al snel een barbaar of een beest. En beesten zijn geen dieren. Zij zijn daarentegen personificaties van het kwaad, monsters die in de gedachten van de mensen die ze aanwijzen vaak de gedaante aannemen van de personen of krachten die het meest gevreesd worden. Beesten zijn rechteloos. Hen mag aangedaan worden wat de dieren wordt aangedaan. Het probleem met een dergelijke primitieve en ook wel wat arrogante manier van redeneren is, dat het dierenleed er niet door verdwijnt en de beschaving die juist voor de invoering van dierenrechten een voorwaarde zou zijn, er beslist niet door toeneemt. Om die beschaving wel te laten groeien, moet juist het meest beschaafde worden gedaan dat men kan verzinnen. Beschouw aanstaande woensdag daarom niet alleen als mensenrechtendag of dierenrechtendag maar pleit morgen vooral ook voor universele rechten van het barbaarse beest. Dieren hebben baat bij een wereld die bescherming biedt aan monsters, zelfs als het gaat om monsters zoals ik.