Paine verkoopt machinale dreutel als kunst

De Pont in Tilburg is bezig met een opmerkelijke verjongingskuur. De eerste jaren van het museum was het beleid vooral gericht op het tonen van gerespecteerde kunstenaars die in Nederland weinig aandacht kregen (Anish Kapoor, Esko Männikkö, Jean-Pierre Raynaud) en moderne klassiekers (Gerhard Richter, Sigmar Polke, Jan Dibbets). Sinds een jaar zijn de exposerende kunstenaars ineens een volle generatie jonger. Dat begon met een overzicht van Fiona Tan, die werd opgevolgd door de in Nederland zo goed als onbekende Duitser Anton Henning. Nu waagt De Pont zich aan een solo van de Amerikaan Roxy Paine (New York, 1966), wiens werk, behalve op wat groepsexposities na, nog nooit buiten de Verenigde Staten was te zien. Zoiets schept verwachtingen.

Op het eerste gezicht is ook goed te begrijpen waar de directie van De Pont op gevallen moet zijn. Paine is goed in het maken van verleidelijke, onalledaagse beelden. Bovendien is de reikwijdte van zijn oeuvre niet zomaar te omvatten. Dat laatste komt doordat zijn werk uit twee, nogal verschillende, groepen bestaat. Allereerst zijn er de `stillevens': beelden, of beter gezegd installaties, van stukjes natuur, zo perfect nagemaakt dat je graag wilt geloven dat ze echt zijn. Zo ligt er op de betonnen De Pont-vloer een stuk aarde waaruit allerlei soorten grassen en planten oprijzen. Er staan papavers tussen, paddestoelen en er ligt zwerfvuil. Zo laat Paine ook groepen paddestoelen uit de wanden groeien, of opbloeien in een soort terrarium. Het is allemaal perfect gemaakt, maar tegelijk blijft onduidelijk wat Paine precies met deze stillevens wil zeggen. Het blijft allemaal nogal hangen in constateringen: dat het in principe onmogelijk is, bijvoorbeeld, dat papavers, paddestoelen en paardebloemen op één veldje groeien, of dat de paddestoelen vast hallucinerend zijn. Je voelt dat Paine iets wil zeggen over natuur en kunstmatigheid en de grenzen tussen die twee, maar wat nou precies, dat blijft onduidelijk.

Echt mis gaat het echter bij Paines tweede categorie: de machines. Paine heeft namelijk een fascinatie opgevat voor kunst die machinaal gemaakt kan worden. Zo ontwierp hij een Painting Manufacture Unit (PMU), een machine die `live' volautomatisch, met behulp van een computerprogramma schilderijen maakt; zijn SCUMAC doet min of meer hetzelfde met beelden. Als gedachte-experiment is het misschien interessant, de vraag of machines objecten kunnen maken die voor kunst zouden kunnen doorgaan. Maar hier werkt het niet. De machines zien er weliswaar geavanceerd uit en verrichten koel en berekend hun machinale arbeid, de schilderijen en beelden die eruit komen (witte druipdoeken en rood-oranje blubberbergen) zullen alleen door een onbenul met echte kunst worden verward. Ook hier is er een vaag gevoel dat Paine iets over echt en onecht wil zeggen, over kunst en kunstmatig, maar in deze werken bijt dat statement precies in zijn eigen staart: om te constateren dat machines saaie, machinale kunst maken heb je geen machines nodig. Tegelijk groeit het besef dat Paine om zo'n dommige conclusie met zoveel poeha te presenteren, behoorlijk cynisch moet zijn – cynisch over moderne kunst, cynisch over zijn publiek, van wie hij blijkbaar denkt dat ze zijn machinale dreutels daadwerkelijk voor kunst zullen houden. Zo slaan Paines ongearticuleerdheid uiteindelijk terug op hemzelf. Als hij één ding aantoont, dan is het dat kunst waarin de ziel ontbreekt stomvervelend is. Maar daarvoor hebben we dit werk niet nodig.

Tentoonstelling: Roxy Paine, Second Nature. T/m 11 jan in De Pont, Wilhelminapark 1, Tilburg. Di t/m zo 11-17u, gesloten op 25 dec. en 1 jan. Inl:013-5438300 of www.depont.nl

    • Hans den Hartog Jager