Opvolging bij Oranjes vaak onzeker

De dochter van Prins Willem-Alexander en Máxima wordt pas kroonprinses op de dag dat haar vader staatshoofd wordt.

De gisteren geboren dochter van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima verdringt haar oom Constantijn van de tweede naar de derde plaats in de rij van erfopvolgers van koningin Beatrix. Constantijns oudere broer Johan Friso verliest binnenkort zijn lidmaatschap van het koninklijk huis en dus zijn plaats onder de erfopvolgers. Dit omdat voor zijn huwelijk met Mabel Wisse Smit geen parlementaire instemming wordt gevraagd.

Voor de plaats in de erfopvolging doet het geslacht van het kind niet meer ter zake. Bij de Grondwetsherziening van 1983 zijn mannelijke en vrouwelijke kinderen als gelijkgerechtigd voor de erfopvolging aangemerkt.

Theoretisch was het mogelijk geweest dat het kind van Máxima en Willem-Alexander al tijdens haar zwangerschap als eerste troonopvolger zou hebben gegolden. Namelijk indien koningin Beatrix en de kroonprins vóór de geboorte zouden zijn overleden. In zo'n geval wordt het nog ongeboren kind als reeds geboren aangemerkt.

Tot het koninklijk huis, waarvan de leden vallen onder de ministeriële verantwoordelijkheid, behoren nu nog, behalve de koningin en Willem-Alexander en Constantijn en hun vrouwen en kinderen, de vier zonen van prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven. Die zonen verliezen hun plaats in het huis en dus in de groep erfopvolgers op de dag dat Willem-Alexander staatshoofd wordt.

Dat de Nederlandse wetgevers uitdrukkelijk aandacht hebben gegeven aan nog ongeboren kinderen van de Oranjes is gelet op de geschiedenis niet zó vreemd. Zo werd stadhouder Frederik Hendrik, wiens oudere halfbroer prins Maurits in 1625 stierf zonder wettige kinderen na te laten, geboren in 1584 uit het vierde huwelijk van Willem de Zwijger, die later dat jaar om het leven werd gebracht.

Frederik Hendriks zoon stadhouder Willem II, getrouwd met een Engelse koningsdochter, maakte de geboorte van zijn enige zoon Willem III, in 1650, zelfs niet meer mee. Hij stierf acht dagen ervoor aan pokken.

Dat was twee jaar na het einde van de tachtigjarige oorlog en de republikeins georiënteerde regenten/kooplieden, die weinig zin hadden om de vaak via kostbare militaire operaties groeiende dynastieke ambities van de Oranjes verder te financieren, zagen hun kans schoon. De baby werd `kind van staat'. Dat betekende dat de zeven provincies van de Nederlandse republiek diens claim op erfopvolging als stadhouder en militair opperbevelhebber ,,voor onbepaalde tijd'' weigerden te honoreren.

Zodoende begon een (eerste) stadhouderloos tijdperk, dat zou duren tot 1672, het ,,rampjaar'' waarin de rijke republiek in oorlog raakte met onder meer Frankrijk en Engeland. De klasse van regenten en kooplieden moest toen onder grote druk van het volk door de knieën: de intussen 22-jarige prins werd in alle eerdere Oranje-functies hersteld om het land te redden.

Na Willem III, die in 1689 ook nog koning van Engeland was geworden en die in 1702 kinderloos was gestorven, volgde een tweede stadhouderloos tijdperk (tot 1747). De leiding in de Oranje-dynastie ging over naar de `Friese tak', in de persoon van de latere stadhouder Willem IV, die in de toen nog beslissende mannelijke lijn afstamde van Jan van Nassau, een oudere broer van Willem de Zwijger.

Angstige jaren beleefde de Oranjedynastie voorts aan het einde van de lange regeringsperiode van koning Willem III, die van 1849 tot zijn dood in 1890 op de troon zat en wiens drie zoons uit zijn eerste huwelijk allen vroeg stierven. Zijn tweede huwelijk, met Emma van Waldeck-Pyrmont, leverde in 1880 nog een dochter op, Wilhelmina.

De opvolging kwam opnieuw in gevaar door een aantal miskramen van koningin Wilhelmina in haar in 2001 gesloten huwelijk met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. Pas in 1909 kwam daaraan, met de geboorte van Juliana, een einde.

    • J.M. Bik