Hekel aan moslims

De avond had moeten gaan over de relevantie van Edward Said voor de tijden waarin we nu leven. Er waren vijf sprekers en de boel liep in het honderd, niet in de laatste plaats omdat ik de avond voorzat. Als je al zo goed denkt te hebben bedacht waar de discussie heen moet en wat de uitkomst hoort te zijn, moet je niet nog eens gaan voorzitten. Je wordt kattig en onverschillig, net als de gemiddelde tv-presentator, en dit was geen televisie. Maar nu ik toch al bedacht heb wat de relevantie van Edward Said is voor onze tijden, kan ik het net zo goed opschrijven.

Ik zou het jammer vinden als Edward Said herinnerd wordt als moralist of activist voor de Palestijnse zaak. De activist in hem was zijn slechtste kant, durf ik te beweren. We zouden ons Edward Said moeten herinneren als een letterkundige. Niet een theoretische letterkundige, want als je zijn theorie van het oriëntalisme van alle opsmuk ontdoet, blijft er een aardig, maar klein ideetje over.

Dat idee is het beste te illustreren met een voorbeeld. Laatst moest ik naar het stadhuis van Apeldoorn. Bij een benzinepomp vlak buiten de stad vroeg ik de weg. De mevrouw zei: kent u de stad een beetje? Nee, antwoordde ik, Apeldoorn is mij zo onbekend als Kuala Lumpur. Oh, zei ze, dan kan ik u niet helpen.

Verbaasd liep ik weg, maar ik begreep haar wel. Ze wilde mij wat oriëntatiepunten geven, het witte gebouw van de verzekeringen, daar links af, bij de grote kerk rechts, zoiets. Maar als je het witte gebouw van de verzekeringen en de grote kerk niet kent, hebben die oriëntatiepunten geen zin. Anders gezegd: ze kon geen beroep doen op reeds bestaande kennis van de stad om er nieuwe aan toe te kunnen voegen.

Die bestaande kennis, waartoe ook vooroordelen behoren, is waar het Edward Said om gaat: wat wordt impliciet bekend verondersteld? Hij zocht juist naar wat niet werd gezegd in de literatuur, omdat de auteur ervan uitging dat de lezer dat wel wist. Neem de zin: `deze moslim was niet vies'. Daarmee is niet alleen gezegd dat moslims doorgaans vies zijn, maar dat degene die het zegt zelf geen moslim is en dat hij en de toehoorders een universeel geldende definitie hebben van `vies'.

Dit zoeken naar het verzwegene is een vermakelijke methode van close reading die veel zegt over de cultuur waarin iets geschreven en gelezen wordt. In het toepassen van deze methode was Edward Said een enkele keer wat drammerig, maar soms ook meesterlijk.

Laten we Saids leesmethode toepassen op, pak weg, het stuk van Ayaan Hirsi Ali op de opiniepagina van deze krant op 4 december. De vorm is merkwaardig: ze formuleert tien stellingen over islamitische scholen en geeft daar antwoord op. Dit is geen opiniestuk, moeten we hieruit begrijpen, dit is een les en les geef je aan iemand die iets niet snapt en iets niet snappen is een kenmerk der dommen, zeker als de stellingen die Hirsi Ali opvoert zo simpel zijn. Neem stelling acht in het stuk van Hirsi Ali: ,,Dat scholen `zwart' zijn, zegt niets over kwaliteit. `Witte' ouders hebben bepaalde beelden in hun hoofd van zwarte scholen. Alsof de kwaliteit ervan minder zou zijn.'' Kortom: zwarte scholen hebben te maken met een slecht imago.

Wat zegt Hirsi Ali hierop? Dat de onderwijsinspectie heeft vastgesteld dat de `pedagogisch-didactische kwaliteit' op deze scholen te wensen overlaat. Conclusie één: rapporten van de inspectie zijn betrouwbaarder dan de inzichten van de ouders die hun kinderen naar die scholen sturen. Twee: we weten wat `pedagogisch-didactisch' is en wat `kwaliteit' is. Zijn er ergens normen voor het bepalen van de pedagogisch-didactische kwaliteit? Hebben moslims mee mogen spreken over die normen? Hebben moslims misschien hun eigen normen van pedagogisch-didactische kwaliteit?

Drie: de lage pedagogisch-didactische kwaliteit van de moslimscholen belemmert de integratie, want daar gaat het Hirsi Ali steeds om. Niet door discriminatie, minachting, uitsluiting of iets anders, maar door de lage kwaliteit van onderwijs worden ze later werkloos of crimineel. Discriminatie vindt Hirsi Ali niet relevant, zij is immers de persoonlijke weerlegging ervan: zwarte moslimvrouw in de Nederlandse politiek-culturele elite. Ik geef haar daarin gelijk, maar moet je mij horen.

Hirsi Ali citeert ook uit het inspectierapport dat de besturen van de islamitische scholen `kwetsbaar' zijn. Zij vindt dat kwetsbaar gelezen moet worden als `ongeschikt' en ze keert kwetsbaar zelfs om: de kwetsbare groep (de moslimleerlingen, mind you) moet niet overgelaten worden aan `ongeschikte' besturen. Dat is nog eens `vrij lezen'.

Ayaan Hirsi Ali's stuk heeft als titel: `Tien drogredenen voor apart onderwijs', maar haar stuk bevat zelf vele honderden drogredenen, en hier weer Edward Said: Heeft ze daarom ongelijk? Is Ayaan Hirsi Ali slecht, kwaadaardig, anti-moslim? Het mooie van Edward Said is dat hij twee dingen tegelijk zei: wij als lezers hebben de plicht de schrijvers te ontmaskeren, alsook de plicht om ze desondanks lief te hebben. Zie wat Edward Said zei over Joseph Conrads `Heart of Darkness', of over Rudyard Kiplings `Kim': Telkens en telkens weer probeerde Said uit te leggen dat het `ontmaskeren', het vinden van de vooroordelen van een schrijver, geen reden geeft om ze te verwerpen. Edward Said had een hekel aan de moral highground, de gedachte dat de eigen morele opvattingen superieur zijn. Hij zou nooit tot de conclusie komen dat Hirsi Ali een kruistocht voert tegen moslims, zoals Kipling geen kruistocht voerde tegen Indiërs, maar tegen beter weten in gevangen was in een net van opvattingen en vooronderstellingen. Door Hirsi Ali's taal te ontmaskeren, door haar te wijzen op haar impliciete veronderstellingen die weleens ongeldig zouden kunnen zijn, krijgt zij de kans frisser en opgeruimder te denken, en daar zit meer heil in dan de simpele afkeer of verwerping. Op zijn beste momenten was Edward Said wars van eenvoudige gevoelens als haat; hij zou, gegeven de huidige pers over moslims, gezocht hebben naar gronden waarom we géén hekel moeten hebben aan moslims. Maar zover kwamen we die avond niet.

ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas