Zonder benzine in Iraaks bandietenland

Als Issam, een verdreven Palestijn woonachtig in Jordanië, zijn GMC-truck start, klinkt automatisch het eerste vers van de Koran uit een luidsprekertje. Als hij de wagen in zijn achteruit zet om de parkeerplaats in Amman te verlaten, schalt de Lambada als waarschuwingssignaal. Flikkerende discolampjes verlichten het zes meter lange Sports Utility Vehicle op de duistere weg richting Bagdad. Binnen pruttelt een waterkoker, Issam maakt thee en koffie met ieder zes scheppen suiker. De Palestijn heeft alles meegenomen voor de twaalf uur lange tocht naar de Iraakse hoofdstad. Alles, behalve extra benzine.

Iedere nacht rijdt Issam van Amman naar Bagdad of terug. Hij is zeker 1.90 lang en moet iets van 100 kilo wegen. Issam is niet bang voor de boeven die de Iraakse wegen bevolken. De Palestijn rijdt het liefst harder dan 160 kilometer per uur, om zo de wegbandieten achter zich te laten. Hij praat niet veel en geeft staccato bevelen. Geef me al je geld! is zijn openingszin als een Amerikaanse documentairemaker en ik rond half twaalf 's avonds in zijn auto stappen. Om te verstoppen, verklaart hij droog.

Irak is de afgelopen weken – sinds een raketaanval op een DHL-vliegtuig bij de luchthaven van Bagdad – nog geïsoleerder geraakt. Het land is alleen nog per auto bereikbaar. Bandieten en terroristen op zoek naar inkomen bevolken de lange weg naar Bagdad. Diverse reizigers zijn al beroofd van alles behalve hun ondergoed. Voor wie erheen reist, geldt een belangrijke regel: overdag rijden, dan is het gevaar zichtbaar. Issam redeneert anders: hij rijdt 's nachts. Onzichtbaar voor het gevaar.

Nadat Issam drie douanebeambten bij de Jordaanse grens heeft gezoend, van smeergeld voorzien en weer gedag gezegd, rijden we de Iraakse grens over. Mét de stempels waar anderen uren op moeten wachten. Aan de Iraakse zijde geen uitgebreide controle op binnensluipende Al-Qaeda leden, maar een dode hond midden op de weg in de regen. De twee passagiers zijn op hun hoede want hier gaat het gevaar beginnen. Eerst maar even tanken, besluit Issam. Zijn tank is nog maar een kwart vol. Het is pikkedonker en langs de kant van de weg zijn slechts de contouren van auto's en gebouwen te zien. De chauffeur rijdt luidt toeterend allerlei duistere parkeerplaatsen binnen. Daar draait hij zijn raampje open en brult vervolgens het woord benzin!? de zwarte Iraakse nacht in. Als er geen reactie volgt, noch van benzine-verkopers en tot onze opluchting evenmin van bandieten, geeft Issam morrend plankgas.

Rond vijf uur s ochtends is de tank leeg. De benzinemeter staat in het rood en Issam houdt stil bij een groepje langs de weg geparkeerde wagens. Ook met een lege tank. Mannen met geblokte sjaals om hun hoofd gebonden, kijken ons argwanend aan. Het regent zachtjes. Issam herhaalt zijn benzineritueel en de mannen kijken vragend naar binnen om te zien wie er toch achter die geblindeerde ramen zitten. Tien minuten later is onze chauffeur luid snurkend in slaap gevallen als de politie langsrijdt. De agenten willen ons helpen. De politie eist 20 dollar voor evenveel liter benzine. Met de dorstige motor van Issams grote Amerikaanse auto zullen we er niet ver mee komen. Iraqi police: Ali Baba!, concludeert Issam en sommeert ons te betalen.

Dertig kilometer verderop staan honderden auto's rond een benzinestation dat net als de wachtenden zonder brandstof zit. Verderop in de woestijn ligt de rebellenstad Ramadi; dit is niet een plek om stil te staan. ,,Veertig procent van de wereldolie onder onze voeten, maar niets in onze tank'', klaagt een man met een jerrycan. ,,Is dit nou democratie?!'' Als er zeven uur later eindelijk een tankwagen opduikt, starten alle auto's tegelijk hun motoren en racen naar het tankpunt. Issam raakt verzeild in een gevecht met andere chauffeurs die hopen de file te vermijden door grote jerrycans met brandstof te vullen. Alle wachtende auto's toeteren woest. Uiteindelijk steekt Issam zijn terreinwagen achteruit in op de groep jerrycan-vullers. Begeleid door de klanken van de Lambada stuiven ze uiteen. Issam vult de tank.

Bij het afscheid in Bagdad geeft hij zijn kaartje. Als we het land weer uit willen moeten we maar bellen. Het beginvers van de Koran klinkt weer als Issam zijn auto start. Het is de laatste keer vandaag. Hoewel het ons inmiddels duidelijk is geworden dat hij geen extra brandstof bij zich had omdat benzine duurder is in Jordanië, betalen we hem toch de beloofde 400 dollar. ,,Wat kijken jullie beteuterd'', zegt hij. ,,We zijn er nu toch?!''

    • Thomas Erdbrink