Van je vrienden moet je het hebben

Bent u beleefder dan uw vrienden?

Iemands zelfbeeld komt tot stand door zichzelf steeds te vergelijken met vrienden, schrijft Ellen de Bruin.

Hoe beleefd vindt u eigenlijk dat u gemiddeld bent? Omcirkel de 1 voor `zeer onbeleefd', omcirkel de 9 voor `zeer beleefd'. En hoe assertief bent u, ook op een schaal van 1 tot 9?

Psychologen stellen vaak dat soort vragen, in testjes voor het werk of in wetenschappelijk onderzoek, en er is eigenlijk geen goed antwoord op te geven zonder óók even over het karakter van andere mensen na te denken. U bent bijvoorbeeld wat minder assertief dan de meeste mensen die u kent, een drietje ongeveer, maar wel een stuk beleefder, pak 'm beet een zeven. Maar met wie vergelijkt u zich dan precies? Daar heeft u waarschijnlijk helemaal niet zo bewust over nagedacht. Sterker nog: u had misschien niet eens door dat u zichzelf met anderen zat te vergelijken. Toch was dat zo.

Ongeveer acht procent van de gedachten die mensen hebben gaat over henzelf, hebben psychologen weleens berekend: wat voor type mensen we zijn, hoe we in elkaar zitten, waar we goed of slecht in zijn. Daarbij vergelijken we ons vrijwel altijd automatisch met mensen die op ons lijken. Dat gaat gelukkig meestal zo vanzelf dat we het niet eens meer doorhebben. Het zou veel te veel tijd en moeite kosten om steeds weer bewust iemand in gedachten te nemen met wie we ons het best kunnen vergelijken, om vast te stellen hoe die persoon in elkaar zit, en te bedenken op welke manier dat verschilt van onszelf. Als dat allemaal zou moeten, zouden we ver boven die acht procent uitkomen. Omdat we die tijd wel beter kunnen besteden, hebben we dat vergelijken-met-anderen net zo efficiënt geautomatiseerd als tienvingerig blind typen of autorijden.

Eén manier om dat te regelen is door altijd dezelfde mensen in je achterhoofd te hebben, met wie je je kunt vergelijken. Zo hebben Duitse psychologen nu aangetoond dat studenten die hun eigen karakter moeten beoordelen, automatisch aan hun beste vriend gaan denken (Journal of Personality and Social Psychology, september 2003). De helft van hun proefpersonen moest het karakter van Boris Becker (de jongens) of Steffi Graf (de meisjes) op een aantal karaktereigenschappen beoordelen; de andere helft moest van zichzelf zeggen hoe vrolijk, beleefd, sentimenteel enzovoort ze waren. Daarna moesten ze een soort spelletje doen waarbij telkens een woord op het computerscherm verscheen, waarvan ze zo snel mogelijk moesten zeggen of er een naam stond of niet. Het bleek dat studenten die zichzelf hadden moeten beoordelen veel sneller de voornaam van hun beste vriend of vriendin herkenden dan studenten die over het karakter van een bekende tennisser hadden nagedacht. Ze herkenden de naam van hun beste vriend(in) ook sneller dan die van een vriend of vriendin met wie ze vroeger wel veel omgingen, maar die ze uit het oog waren verloren. Ze konden het karakter van hun beste vriend vervolgens ook sneller beoordelen dan dat van die voormalige vriend. En dat was allemaal ook het geval als de voormalige vriend eigenlijk sterker op hen leek dan de huidige vriend, en dus eigenlijk een betere vergelijkingsmogelijkheid bood.

De onderzoekers publiceerden hun resultaten onder de titel `What friends are for!': je vrienden dienen er kennelijk, onder meer, toe om je hoofd zo leeg mogelijk te houden, zodat er ruimte is voor de dingen die er echt toe doen.