Toets wet wel aan Grondwet

In Nederland mag de rechter niet beoordelen of wetten in overeenstemming zijn met de Grondwet. Dat moet vooral zo blijven, meent senator Erik Jurgens (NRC Handelsblad, 24 november). Het belangrijkste argument van Jurgens is dat de volksvertegenwoordiging bij uitstek geschikt is om wetten te beoordelen en heeft ook de expliciete taak toe te zien op de grondwettigheid van wetten. De rechter is daarentegen niet gekozen en daarom is het volgens Jurgens democratisch zuiverder om die niet te laten oordelen over de grondwettigheid van wetten.

Wetten worden wèl getoetst aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. En omdat dat gebeurt, zou toetsing aan de Grondwet niet meer nodig zijn. Echter, toetsing aan de Grondwet zelf zou het debat over de Grondwet in het parlement en in de samenleving een impuls geven. Daarnaast is de Grondwet ook een neerslag van de belangrijkste nationale waarden. Alleen al daarom is het betreurenswaardig dat de rechter wel aan verdragen mag toetsen en niet aan de eigen hoogste wet.

Het is zonde dat de Grondwet een bestaan leidt in de marge. De Grondwet is een document van hogere rechtskracht dan de andere nationale wetten, en moet de fundamentele beginselen, ja zelfs de fundamenten zelf van de Nederlandse rechtsstaat bevatten. Een uitspraak van de rechter kan de Kamer prikkelen zelf scherper op de grondwettigheid van wetten toe te zien.

Voorts verschuift het primaat van de wetgever steeds meer richting een primaat van het bestuur. Regelmatig wordt gebruik gemaakt van kaderwetten die door de uitvoerende macht worden uitgewerkt. Dit betekent dat het systeem van machtsevenwicht wordt uitgehold. Rechterlijke toetsing kan bescherming tegen bestuurlijke willekeur voorkomen en bijdragen tot herstel van de verhouding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.

De rechter verlaat zich nu op internationale mensenrechtenverdragen, terwijl in de Grondwet de grondrechten ook een lokaal en nationaal element kunnen bevatten.

De snelle maatschappelijke veranderingen, bijvoorbeeld de informatierevolutie, pleiten voor rechterlijke toetsing aan de Grondwet. Bij de laatste modernisering in 1983 werden de communicatiemiddelen radio, televisie en telegrafie in de Grondwet geïntroduceerd. Inmiddels klinkt dat alweer hopeloos ouderwets nu internettoepassingen over elkaar heen buitelen. De rechter kan sneller op dit soort ontwikkelingen reageren dan de wetgever.

Met de komst van de multiculturele samenleving zijn botsingen tussen grondrechten (onderwijsvrijheid) en discriminatieverbod (hoofddoekjes) en tussen de vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid aan de orde van de dag. De samenleving wordt steeds pluriformer en dit versterkt de noodzaak het individu of de minderheidsgroepering te beschermen tegen de meerderheid. De wetgever die het collectieve belang vertegenwoordigt, zou tot onrechtvaardige afwegingen ten opzichte van de minderheid kunnen komen. De onvervreemdbare individuele grondrechten moeten met de Grondwet in de hand verdedigd kunnen worden tegen de wetgever. En een rechter is veel beter toegerust om individuele gevallen te beoordelen dan de wetgever en kan misstanden corrigeren.

Door toetsing aan de Grondwet mogelijk te maken worden zulke afwegingen van de rechter onderdeel van het openbare debat en kunnen worden bediscussieerd in de free market place of ideas. De rechtszaal kan het forum bieden waar traditionele waarden geconfronteerd worden met nieuwe waarden in de multiculturele samenleving, zonder dat de logge wetgever het debat domineert, dicteert en stagneert. Zo kan de Grondwet veranderen van symboolwetgeving tot een dynamisch document van alle Nederlanders.

Mr. L. Asscher is verbonden aan het Instituut voor Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Lodewijk Asscher