Staartdeling 3

Naar aanleiding van de brieven Staartdeling 1 en 2 (W&O, 29 november, in reactie op `Requiem voor een staartdeling', W&O, 15 november) het volgende:

In bovengenoemde brieven wordt gesuggereerd dat staartdelingen vroeger werden geleerd als louter mechanische handelingen zonder dat inzicht werd bijgebracht. Niets is minder waar.

Ik heb van 1933 tot 1938 op de lagere school gezeten in een klas met 48 leerlingen. Al doende kreeg men inzicht in wat het tientallig stelsel inhield met zijn komma's. Dat werd namelijk uitgelegd. Bovendien moest men bij het uitvoeren van soms ingewikkelde staartdelingen het veelgeprezen schatten beoefenen, namelijk hoeveel maal een deler in het deeltal ging. Daarnaast kreeg men inzicht in de relatie van breuk-sommen met sommen volgens het tientallig stelsel door hen in elkaar om te zetten. Tenslotte kreeg men aparte uren hoofdrekenen.

Al doende ging men dus begrijpen dat delen een methode (met een mooi woord: algoritme) van herhaald aftrekken was. Het is onjuist om het telkens toepassen van staartdelingen, bijvoorbeeld in redactie- of denksommen, gelijk te stellen aan het trainen van een ingewikkeld kunstje (= zonder begrip), het mechanisch in het geheugen stampen van een standaardrekenalgoritme. Toepassen is niet hetzelfde als stampen. Bovendien heeft gedachteloos en mogelijk onbegrepen toepassen van een methode (algoritme) ook zo zijn voordelen. Men krijgt in elk geval uitkomsten die juist en bruikbaar zijn in de praktijk, ook al zijn zij onbegrepen. En de intelligente gebruiker begrijpt waardoor dat komt. Nog zo'n algoritme: delen door een breuk is vermenigvuldigen met het omgekeerde. Kortom: het toepassen van staartdelingen is een heel bruikbaar instrument om iets uit te rekenen en nauwkeurige uitkomsten te krijgen.

    • P.J. Luteijn Utrecht