Piepjes voor de kleintjes

Om spraak- en taalstoornissen te voorkomen is een vroege diagnose van het gehoor van groot belang. Leidse audiologen hebben een verfijnde gehoortest ontworpen voor baby's van een paar dagen oud.

MAAIKE LIGT met dichtgeknepen knuistjes op moeders schoot te slapen. In haar oor wordt een dopje geschoven met daarop twee luidsprekertjes die een subtiel geluidssignaal produceren. Een minuscuul microfoontje registreert hoe het oor hierop reageert. Na zo'n 10 seconden meten is het andere oor aan de beurt. Beide oren blijken in orde. Maaike is slapend geslaagd.

Vanaf volgend jaar krijgen alle baby's in Nederland binnen een week na de geboorte een gehoortest. Leidse audiologen hebben samen met andere onderzoekers een methode ontwikkeld, die nu in vier regio's is getest en die eind 2004 landelijk in gebruik moet zijn. Het is de bedoeling om de test samen met de hielprik af te nemen. Maar de hielprikkers willen eigenlijk op de tweede levensdag prikken, terwijl de gehoortesters liever op dag vijf langskomen. Een tweedags kindje heeft vaak nog vocht in de oren, wat de test onmogelijk maakt.

MAMA

Van de circa 200.000 baby's die jaarlijks in Nederland worden geboren is één op de 1.000 zeer ernstig slechthorend of doof, nog eens 4 tot 8 op de 1.000 kinderen zijn matig tot ernstig slechthorend. ``Een vroege diagnose van slechthorendheid is van groot belang om de spraak- en taalontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren'', zegt dr.ir. Jan de Laat, hoofd van het Audiologisch Centrum van het Leids Universitair Medisch Centrum. ``De afgelopen dertig jaar werden kinderen getest op de leeftijd van negen maanden. Maar tegenwoordig weten we dat de eerste levensmaanden heel belangrijk zijn voor een normale spraak- en taalontwikkeling. Normaal zegt een baby rond twaalf maanden zijn eerste woordjes zoals `mama' en `papa', maar aan het spreken gaat een fase van luisteren vooraf en die begint al in de moederbuik.

``Dus hoe eerder je weet dat er iets mis is, hoe eerder je daaraan wat kunt doen'', zegt De Laat. ``Vroeger leerden dove kinderen praten door hun handen op de stembanden te leggen. Tot een jaar of vijftien geleden hadden doven zo'n typische, zware, moeilijk verstaanbare dovenspraak. Tegenwoordig beginnen we al heel vroeg met gehoorapparaten, spraaktrainingen en gezinsbegeleiding, waardoor dove of slechthorende peuters toch normaal leren spreken.'' Ook voor de taalontwikkeling is goed kunnen horen heel belangrijk. Normaal begrijpt een een- of tweejarig kind al snel veel meer dingen dan het zelf kan uiten: het spreken loopt enigszins achter bij het begrijpen. Een kind dat slecht hoort, mist deze fase van begrijpend luisteren, waardoor het op driejarige leeftijd misschien een heel verwarde zinsbouw heeft.

De nieuwe test is objectiever en daardoor betrouwbaarder dan de huidige standaardtest, waarbij men kijkt hoe een negen maanden oude baby op geluid reageert. Bovendien omzeilt de nieuwe test het probleem van de oorontstekingen, die bij kinderen rond negen maanden soms tot het mislukken van de gehoortest leidt. Dat leidde tot veel foute uitslagen (7 procent), terwijl in werkelijkheid nog niet 1 procent doof of slechthorend is.

De nieuwe test geeft soms ook foute uitslagen, maar veel minder. Na driemaal testen wordt 0,5 procent van de baby's – inmiddels zo'n twee maanden oud – doorverwezen naar het Audiologisch Centrum voor uitgebreider onderzoek en eventuele maatregelen zoals een hoorapparaat en hoortraining. Met de screening is twee jaar proefgedraaid in de regio's rond Leiden, Tiel, Oss en Alkmaar. De landelijke invoering wordt gecoördineerd door de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind in Amsterdam.

Zo'n 25 jaar geleden ontdekten onderzoekers dat een gezond oor op een geluid reageert door zelf ook geluid te produceren, tijdens en kort na stimulatie. Dit verschijnsel wordt Oto Akoestische Emissie (OAE) genoemd. Vroeger heette het de Kemp-echo, naar de ontdekker prof. Kemp uit Londen. Pas eind jaren tachtig werd bekend dat het niet om een echo gaat, maar om een soort klankkasteffect. Daarin ontstaan verschiltonen. Het zijn de bij elkaar opgetelde of van elkaar afgetrokken frequenties van de tonen die worden aangeboden. Het klankkasteffect van het binnenoor wordt beïnvloed door een vervorming van het basilair membraan (het vlies van 32 mm lengte in het binnenoor dat de met vloeistof gevulde holtes van het binnenoor van elkaar scheidt) of de reactie van de haarcellen. Bij sommige pasgeborenen ontbreken die haarcellen, of ze bewegen niet goed. Reageren ze niet normaal, dan is dat zichtbaar in het signaal dat terugkomt uit het oor. De opgevangen signalen kunnen op een frequentiespecifieke gehoorbeschadiging duiden.

De OAE is een zwak geluid, maar wel te registreren met een microfoontje in een dopje in de gehoorgang. Daarop liggen ook de piepkleine luidsprekertjes waarmee twee tonen het oor in worden gestuurd. Halverwege de jaren negentig kwam men op het idee de OAE als gehoortest te gaan gebruiken.

De Laat: ``Als een OAE kan worden geregistreerd, wil dat nog niet altijd zeggen dat de patiënt ook goed kan horen, want er kan nog sprake zijn van een afwijking in de zenuwgeleiding en in de hersenen. Die is gelukkig nogal zeldzaam. Daarom kun je dit als gehoortest gebruiken. Het registreren van de zwakke emissies in aanwezigheid van de veel sterkere stimulus is technisch lastig. We hebben lang gezocht naar het aanbieden van de juiste signalen, in welke toonhoogtes, hoeveel decibel, met welke verschillen tussen toonhoogtes.''Voor sommige kinderen die aan beide oren zo slechthorend zijn dat zelfs de krachtigste hoortoestellen niet meer helpen kan een operatie uitkomst bieden. Achter één oor wordt een elektrode, een cochleair implantaat, in het binnenoor (ook wel cochlea of slakkenhuis genoemd) geplaatst. Het apparaat neemt de functie over van uitgevallen zenuwcellen in het binnenoor. Het zorgt voor elektrische prikkeling van de gehoorzenuwvezels. Een microfoontje achter de oorschelp vangt de geluiden op en zendt ze naar een processor die ze omzet in elektrische pulsen. Deze pulsen worden met een zendspoel doorgegeven aan het implantaat. Het implantaat brengt de pulsen direct over op de gehoorzenuw.

DOOFGEBOREN

Zo'n cochleair implantaat blijft behelpen, want terwijl normaal horenden over zo'n 20.000 zenuwuiteinden beschikken om geluidssignalen te verwerken gebruikt zo'n implantaat maar 8 à 16, soms 20 elektroden om signalen door te geven. Het is niet goed te voorspellen hoeveel iemand na implantatie weer kan horen. Je blijft in elk geval slechthorend. Pas sinds twee jaar wordt deze operatie in het Leids Universitair Medisch Centrum bij zeer jonge kinderen uitgevoerd, in Nijmegen en Utrecht al langer. Aan zo'n implant gaat een heel scala van testen vooraf. Volgens De Laat is de techniek de laatste vijf jaar sterk verbeterd. ``Internationaal is nu afgesproken om deze operatie bij doofgeboren kinderen uit te voeren op de leeftijd van twaalf maanden. Vóór die tijd bestaat de kans dat de operatie schade berokkent. De operatie wordt alleen eerder uitgevoerd bij kinderen die een hersenvliesontsteking hebben gehad.''

Meer informatie: Nationale Hoorstichting, Rijnsburgerweg 10, 2333 AA Leiden, tel. 071-523 4245, www.hoorstichting.nl

Nationale Hoortest, anoniem, per telefoon: 0900-4560123, 35 eurocent per minuut.

De Kinder Hoortest, voor kinderen van 4 tot 12 jaar, via internet, www.kinderhoortest.nl

    • Marion de Boo