Onder historici

`Omdat hij ons met veel humor historisch verantwoord door dit nare oorlogsjaar loodste'', heeft het Historisch Nieuwsblad de immer relativerende Maarten van Rossem uitgeroepen tot `historicus van het jaar'. Een sympathieke keuze, waaraan geen enkele wetenschappelijke pretentie mag worden toegedicht. De criteria die de redactie aanlegt bij de samenstelling van een top-20 van Nederlandse historici luiden namelijk: ,,Wie deden ertoe als geschiedenisman of -vrouw in 2003? Wie was niet van de televisie weg te branden? Wie schreef het meest spraakmakende boek?'' Van Rossem scoorde blijkbaar vooral op het tweede punt, want het Historisch Nieuwsblad roemt hem als de ,,peetvader van de televisiedeskundologen''.

Maar dat betekent allerminst dat hij niet ook over zijn eigenlijke vak nadenkt. Zo schrijft Van Rossem in dezelfde aflevering van het Historisch Nieuwsblad, waaraan hij als columnist verbonden is, over een probleem van de ouder wordende historicus: ,,Hij herinnert zich een halve eeuw geschiedenis, maar wat hij zich herinnert komt maar zeer gedeeltelijk overeen met wat de academische geschiedschrijving van die halve eeuw heeft gemaakt.'' Historici zien het als hun taak langlopende structurele processen te analyseren, ,,maar het Grote Gelijk achteraf beneemt ons soms al te zeer het zicht op de ervaren geschiedenis''. Niemand verwachtte in 1989 de val van de Muur in Berlijn, betoogt Van Rossem, maar in de historische analyse ,,kondigt zich het naderende einde van het arbeidersparadijs al aan in de late jaren zestig en de vroege jaren zeventig''. Historici zouden meer oog moeten hebben voor de kleinigheden die vaak zo bepalend zijn voor de geleefde geschiedenis, vindt hij, en hun structurele analyses moeten combineren met een liefdevol oog voor het irrelevante detail.

Ik denk dat Van Rossem hier tussen neus en lippen door een perfecte verklaring geeft voor het verbluffende succes van de filmkomedie Good bye, Lenin! van regisseur Wolfgang Becker. Kort voor de `Wende' raakt een trouwe burgeres van de DDR in coma. Als ze bijkomt, bestaat de DDR niet meer. Haar zoon slooft zich liefdevol uit om haar die schok te besparen en te doen alsof alles bij het oude is gebleven, wat tot allerlei hilarische verwikkelingen leidt met de nadruk op, om met Van Rossem te spreken, de kleinigheden die vaak zo bepalend zijn voor de geleefde geschiedenis.

Marieke Borren en Ismee Tames, als promovendi verbonden aan het Duitsland Instituut van de Universiteit van Amsterdam, braken in deze krant de staf over de sentimentele aanpak van de regisseur. Becker had de in zijn film gecreëerde schijn-DDR weliswaar nooit bedoeld om op nostalgische gevoelens in te spelen, maar om duidelijk te maken wat het dagelijks leven in de DDR kenmerkte. Borren en Tames verwijten hem echter dat zo een DDR zonder SED en Stasi wordt getoond, waardoor geen plaats is voor kritische kanttekeningen over de onvrijheid en de staatsterreur. Wat was bedoeld als `zelfironische dialoog' is volgens de twee onderzoekers omgeslagen in zijn tegendeel: ,,het zelfgenoegzaam wentelen in sentimentaliteit en verveeld ter zijde schuiven van de negatieve kanten aan het verleden.''

Nu ik de film heb gezien, lijkt deze kritiek me begrijpelijk, maar toch te oppervlakkig. Good bye, Lenin! gaat over de leugen, over het leven in een schijnwereld, over geïnternaliseerd bedrog. Iedereen liegt. Uiteindelijk is de moeder voor wie de hele schijnvertoning over het voortbestaan van haar geliefde socialistische vaderland op touw is gezet, de grootste leugenaarster: de door haar `geleefde' DDR heeft nooit bestaan, en dat wist zij. Zij had naar het Westen zullen vluchten, dat niet gekund of gedurfd, en dwong zichzelf tot zelfbedrog en bedrog jegens haar kinderen. De DDR was een leugen in een leugen in een leugen. Dat althans heb ik gezien als de strekking van deze film – de ontkenning van de onvrijheid en de staatsterreur speelt zich af in het hoofd van een vrouw die daarvan zelf het slachtoffer was.

De methode-Van Rossem, zal ik het maar even noemen, het liefdevolle oog gericht op de `geleefde' geschiedenis van veelal naamloze mensen, in dit geval fictieve personages in een speelfilm, geeft hier inzicht in wat de staatsterreur aan kwalijks aanricht in het gemoed van doorsnee burgers die voornamelijk willen overleven. Van een revisionistische geschiedschrijving die de Stasi wil wegretoucheren lijkt me geen sprake.

Nu ik het toch over historisch revisionisme heb: de nummer 2 achter Van Rossem in de top-20 van het Historisch Nieuwsblad, NIOD-directeur Hans Blom, vorig jaar nog op nummer 1, wordt deze week in Vrij Nederland aangevallen door historicus Jos Palm. Er is, schrijft deze, iets mis met de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog sinds deze onder de regie van Blom staat en wordt gedomineerd door begrippen als `grijs', `accommodatie' en `aanpassing'. Het oorlogsverleden is volledig gebanaliseerd, inclusief goed en kwaad, meent Palm. ,,Het is een verleden geworden zonder verantwoordelijken en vol stakkerds'', met als voorlopig sluitstuk het boek Grijs verleden door Chris van der Heijden.

Diezelfde Van der Heijden geeft in Vrij Nederland een aantal voorbeelden van herziening van het recente verleden, door hem verwelkomd als ,,het einde van de historische correctheid''. De Spaanse dictator Franco is achteraf niet zo slecht als gedacht, de republikeinen waren niet zo goed als gedacht, het ,,aloude verhaal van de in Polen meedogenloos optredende nazi's'' is in een nieuw licht komen te staan door publicaties over antisemitische gruwelen van de Polen zelf, Mussolini en zijn maten zijn ten onrechte in de reactionaire hoek gezet door linkse ideologen, etcetera. De verklaring voor al deze historische herzieningen is volgens Van der Heijden dat de geschiedenis voortdurend eindpunten kent die worden bepaald door de groep die de (intellectuele) macht bezit. ,,En wij, onnozelen, maar denken dat het over feiten gaat.''

De bekende historicus Jan Romein schreef al in 1951 dat elke historicus onderworpen is aan ,,drieërlei subjectiviteit'': die van zijn tijd, die van zijn groep en die van zijn persoon. De laatste twee zou hij misschien kunnen overwinnen, maar zijn eigen tijd kan de historicus onmogelijk doorzien. En daarmee zijn we weer terug bij het probleem van Van Rossem als ouder wordende historicus die zijn eigen `geleefde geschiedenis' niet herkent in de academische geschiedschrijving. Een wel bijzonder ironische noot bij al deze overwegingen is dat over Jan Romein in het Historisch Nieuwsblad wordt onthuld dat hij in 1946 aan de Universiteit van Amsterdam voorstelde een eredoctoraat in de letteren toe te kennen aan, hallo, good bye, Jozef Stalin.

    • Elsbeth Etty