Naar een ander soort gelijkheid

Gelijkheid is een belangrijke waarde, maar het traditionele denken hierover heeft geleid tot verstarring, zinloze uniformiteit en beperking van individuele keuzevrijheid, vindt Roel in 't Veld. Op zoek naar een nieuwe invulling van een oud ideaal.

Hij werd een `politicus zonder partij genoemd', een `neoliberaal': Wouter Bos die het bestond deze zomer voor eigen gelederen eerdere standpunten van de PvdA over gelijkheid te relativeren. Vooral de uitspraak waarin hij zei gelijkheid in termen van uitkomsten niet meer te willen, en die strijdig te achten met voldoende aandacht voor mondige burgers en voor variëteit in de samenleving van nu en morgen, kwam hem te staan op bittere verwijten binnen en buiten zijn partij.

Maar Bos heeft gelijk. Gelijkheid heeft in het verleden als waarde velen geïnspireerd. Het traditionele denken over gelijkheid als hoeksteen van verdelende rechtvaardigheid heeft aangezet tot indrukwekkende veranderingen, maar die veranderingen zijn vervolgens gestold op een wijze die niet langer is te verdedigen. Het traditionele gelijkheidsdenken is daarom binnen de grenzen van onze nationale samenleving – geheel anders dan in relatie tot mondiale verhoudingen, waar een ander type vraagstukken aan de orde is – uit de tijd. Dat heeft te maken met vier factoren.

Geen variëteit

De institutionele regelingen waarmee gelijkheid is nagestreefd, zoals in het gestolde beleid voor onderwijs en zorg, zijn zelf verstard geraakt en belemmeren nu voldoende variëteit. Dat gebrek is schadelijk voor de kwaliteit.

Voorbeeld: er is maar één enkele vorm van een rechtenopleiding in Nederland met een door de overheid bepaald collegegeld; wil mijn zoon een intensieve opleiding volgen met een hoge begeleidingsintensiteit, dan moet hij naar het buitenland of de begeleiding zoeken bij particuliere repetitoren, die veel geld kosten; het is Nederlandse universiteiten verboden zo'n opleiding zelf te verzorgen. Daardoor gebeurt precies het tegenovergestelde van wat Den Uyl c.s. in de jaren vijftig voorstonden, te weten ontplooiing in ongelijkheid als afspiegeling van de verscheidenheid van de menselijke aanleg. Bovendien hebben de rijken de tweedeling reeds tot stand gebracht door hun kinderen massaal in het buitenland te laten studeren.

Afhankelijkheid

De gewaarborgde positie in voorzieningenniveau en sociale zekerheid heeft mensen afhankelijk gemaakt van het systeem, heeft ze beroofd van hun eigen verantwoordelijkheid, en heeft niet zelden bijgedragen tot verlies aan eigenwaarde.

Voorbeeld: gezinnen waarin zeer langdurige passiviteit bestaat produceren kinderen die later ook weer meer dan gemiddeld passief worden.

Geen eigen voorkeuren

De vereiste gelijkheid op het niveau van voorzieningen heeft ertoe geleid dat overheden burgers verbieden voor een bepaald doel – bijvoorbeeld gezondheidszorg – uit eigen middelen meer uit te geven en daarmee hun volwaardige voorkeuren te honoreren.

Sommigen verdedigen dit met een beroep op de noodzaak van aanpak van de `echte' problemen. Deze kronkelredenering teistert al zeker veertien jaar het linkse denken. Zo zag oud-PvdA-fractievoorzitter Ad Melkert bijvoorbeeld niets in het volgende idee: Indien je de rijken zelf voor hun onderwijs laat betalen – en ze dan ook zelf laat kiezen – kun je dat geld gebruiken om de armen 20 procent beter onderwijs te geven. Volgens Melkert ontstaat zelfs dan een situatie die inferieur aan de huidige is. Een schoolvoorbeeld van losgezongen gelijkheidsdogmatiek.

Feitelijke ongelijkheid

De formele gelijkheid heeft er bovendien toe geleid dat rijke mensen meer profiteren van overheidsbijdragen dan arme.

Voorbeeld: de staat draagt aan het onderwijs van de kinderen van gegoeden veel meer bij dan aan het onderwijs van kinderen van armen, omdat kinderen van gegoeden gemiddeld een veel langere initiële opleiding volgen dan kinderen van armen. Om het maar niet over de opera te hebben.

Juist als gevolg van hun emancipatie hebben burgers thans relatief dringender waarden op het terrein van eigen keuzevrijheid en verantwoordelijkheid dan tevoren. Dat versterkt de nadelige effecten van de gestolde arrangementen die nu een keurslijf vormen dat creativiteit en ontplooiing belemmert.

Het gaat dus niet zozeer om verouderde normen, maar vooral om verouderde beleidssystemen, regelingen en instituties die gebaseerd zijn op een eerdere uitwerking van de norm in een inmiddels voorbije sociaal-economische context.

Indien men gelijkheid van kansen (op zelfontplooiing, banen, etc.) meer dan gelijkheid van inkomen of voorzieningen als het centrale onderwerp van verdelende rechtvaardigheid beschouwt, is het gewenst maatschappelijke instituties zo in te richten dat zij die gelijkheid verwezenlijken. Gelijkheid van kansen vereist bijvoorbeeld een specifiek onderwijsbestel, dat toegankelijkheid waarborgt, en daarnaast een neutraal en integer functionerende arbeidsmarkt.

Overigens zal het gewenst zijn degenen die aan de onderkant verblijven te laten delen in de toenemende welvaart door hun uitkeringen zo sterk mogelijk op te trekken. Dit is een parafrase op de twee voorwaarden die de wereldvermaarde denker John Rawls formuleerde voor een nieuwe theorie van verdelende rechtvaardigheid. Rawls trachtte zo voorwaarden voor zelfontplooiing en die voor collectieve solidariteit in een enkel stelsel te verenigen.

Het probleem is te bepalen wie nu eigenlijk wel en niet thuishoren in de groep van behoeftigen.

Moet de mens die er overal de kantjes heeft afgelopen, heeft geparasiteerd, zijn zelfontplooiing heeft verwaarloosd, hetzelfde worden behandeld als degene die zich kapot heeft gewerkt, maar het allemaal niet heeft gehaald? Sommigen menen van niet en pleiten ervoor om bij uitkeringen de voorgeschiedenis en in het bijzonder de geleverde inspanningen mede in acht te nemen. Dit is een aanvulling op de gezichtspunten van Rawls. Een tweede aanvulling is te geven voor de beëindiging van de periode gedurende welke mensen verblijven in de categorie der behoeftigen. Is het verstandig de uitkering van mensen die heel erg hun best doen om weer aan de slag te komen, hoger te laten zijn dan die van mensen die daar niets voor doen? Sommigen menen van wel.

Klassieke beelden over verdelende rechtvaardigheid hielden vooral verband met toestanden, met statica; toekomstgerichte betogen over rechtvaardigheid gaan in toenemende mate ook over oorzaken van toestanden, over inspanningen en beweging. Dat laatste type beelden behoeft, dus naast die statische component aangaande verdeling, steeds ook een dynamische component die met de ontwikkeling van de relatie tussen systeem en cliënt van doen heeft.

Steeds weer duikt immers het vraagstuk op dat ieder uitkeringssysteem, of nog algemener ieder beleid, prikkels genereert en oproept waarvan de werking verschilt al naar gelang de waarden van betrokkenen. De parasiet zal anders op een prikkel reageren dan de nijvere bij. Dat terwijl er schaarste aan middelen bestaat. En het publiek zal de nijvere bij anders behandeld willen zien dan de parasiet.

Inspanningen van betrokkenen hebben een plaats gekregen in de waarden omtrent verdelende rechtvaardigheid. Ook zal een systeem dat weerzin opwekt bij velen eigen bedervende effecten teweegbrengen, doordat rancune ontstaat die zich tegen bepaalde groepen maar tevens tegen het systeem zelf kan richten. Daarop duidt Wouter Bos expliciet, als hij betoogt dat ,,je om de welvarende middenklasse aan de collectieve sector verbonden te houden, ruimte moet maken voor meer keuzevrijheden en kleine ongelijkheden zal moeten accepteren om grotere ongelijkheden en een totale tweedeling te vermijden''.

Een publieke sector die niet meer voldoende op steun van de bevolking kan rekenen is aan snelle erosie onderhevig. Als de effecten als onredelijk worden beoordeeld, zullen cliënten daaraan het recht ontlenen om calculerender te worden en de overige burgers zullen hun politieke voorkeuren ombuigen in de richting van lagere bijdragen. Blijft de structuur van het desbetreffende stelsel vervolgens in stand, dan ontwikkelt zich een spiraal van teleurstelling.

Dit betoog is verwant aan dat van wijlen Fred Hirsch in diens fameuze Social Limits to Growth (1976). Hij wijst op het gevaar dat er een erosie van solidariteit ontstaat als de recent geëmancipeerde groepen tot de ontdekking komen dat hun verworven welvaart schijn is. Hun was voorgespiegeld dat het onderwijs gelijke kansen bood, en dat dus een hoge opleiding een mooie carrière in het vooruitzicht stelde. Maar tegen de tijd dat zij die hoge opleiding achter de rug hebben, is dat vooruitzicht verdwenen omdat nu iedereen een zelfde hoog opleidingsniveau heeft bereikt. Er bestaan veel voorzieningen die hun nut ontlenen aan de plaats die je in een rangorde inneemt zoals het relatieve opleidingsniveau. De massificatie van dergelijke voorzieningen, zoals hoger onderwijs, leidt tot een waardedaling van de voorziening. Ook die dynamiek heeft van doen met verdelingsoordelen en teleurgestelde verwachtingen.

De door Hirsch voorspelde dreiging heeft zich slechts zeer ten dele gerealiseerd. Maar de combinatie met toenemende rancune ten opzichte van voorzieningen voor nieuwkomers die beter leken te zijn dan wat de autochtone achterhoede zich kon veroorloven, leverde een soortgelijke beweging op, die zich onder meer ontlaadde in het fortuynisme.

De continuïteit van de steun van de bevolking aan de institutionele regelingen die verdeling en herverdeling totstandbrengen, is in gevaar als de uitkomsten te zeer strijdig zijn met de meest dringende actuele waarden. Bos heeft gelijk als hij het verlangen naar keuzevrijheid als zo'n dringende waarde beschouwt.

Het gaat dus niet om kleine dingen. Het gaat om het bepalen van de prioriteit van waarden, maar ook om de effectiviteit van beleid. Die laatste is op tal van terreinen te laag geworden omdat een gestold institutioneel arrangement dat uniformiteit produceert, is vermengd met een publieke economie die te weinig middelen toevoert aan onderwijs en zorg om de noodzakelijke kwaliteit voort te brengen. Die situatie ondergraaft fundamenteel het vertrouwen van burgers in de staat.

In meer algemene termen is het vraagstuk een voorbeeld van de spanning tussen de dynamiek van een samenleving enerzijds en een gestold arrangement anderzijds. Het zou tragisch zijn als links uit genegenheid voor de regelingen die in het verleden zoveel emancipatie hebben bevorderd, de ogen blijvend gesloten zou houden voor de thans overwegende nadelen van stolling. Dat is tragisch omdat links zo zijns ondanks de voorhoede van het conservatisme zou gaan vormen.

Roel in 't Veld is bestuurskundige.

    • Roel in 't Veld