Luchtige hartstochten

IN ZIJN Klucht van Frik in 't Veur-Huys (1642) legt auteur Mattheus Gansneb Tengnagel hoofdpersoon Trijntje na een langgerekte gaap van vriendin Grietje de volgende zin in de mond: ``Zoo! wat zoo ziet! nouje geeut, dat's ien teiken dat de dampjens `er willen zetten.''

De zeventiende-eeuwse toeschouwer wist hiermee genoeg. Voor de geëxalteerde Grietje, gekweld door emotie als gevolg van minnepijn, was het leed zo goed als geleden. Het gapen gold als een symptoom van een zich oplossende crisis. Maar wat voor dampen bedoelde Tengnagel?

Volgens Wolter Seuntjens, kenner van het gapen door de eeuwen heen en bijna klaar met een proefschrift waarin ook de erotische component van het gapen aan bod komt, moeten die dampen letterlijk opgevat worden. In het tijdschrift De zeventiende eeuw (2003/2) plaatst hij in zijn artikel `Damp, walm en rook: Luchtige hartstochten in de literatuur van de zeventiende eeuw' de geeuw in de context van de medische opvattingen uit die tijd. Die waren neergelegd in de humoraalpathologie, waaraan de naam van de arts Galenus is verbonden. Centraal in die theorie stonden de vier fundamentele lichaamssappen of humoren: bloed, flegma, gele gal en zwarte gal, corresponderend met de vier elementen lucht, water, vuur en aarde. Een onevenwichtige samenstelling van de humoren leidde in dit systeem – dat niet van tegenstrijdigheden vrij was – al snel tot ziekte.

Humor kon verbranden. Verbrande zwarte gal (melancholie) leidde volgens de Zeeuwse arts Lieven Lemse (1505-1568) tot erotische opwellingen. Deze amor hereos, een typische kwaal van ridders en hovelingen, komt in de literatuur uit die tijd veelvuldig aan bod. Passie kon iemands humor letterlijk ontsteken, waarbij damp en rook ontstonden. Bij uitstek de liefde werd in staat geacht de benodigde hitte te leveren. Liefde werd dan ook vaak als een ziekte opgevat. Hete damp en rook stegen op, waarmee we bij de `dampjens' van Trijntje zijn: de geeuw was een bijzonder geval van opstijgende damp. De geeuw van Trijntje is een goed teken: hij voert de damp af, zodat de liefde bekoelt en de crisis praktisch bezworen is.

Volgens Seuntjens wemelt het in de literatuur van de zeventiende eeuw van dit soort dampen, walmen en rook. Behalve geeuwen en zuchten werden ook huilen, stotteren, blozen, lachen, flauwvallen, zweten, slapen en dromen aan dampen toegeschreven. Zuchten zijn in de humoraalpathologie letterlijk te nemen luchtstromen uit het precardium en gestolde walm of neergeslagen damp uit de hartstreek uitte zich in het plengen van heilzame tranen. `[A]ls iemand tranen krijt', aldus vadertje Cats, `Soo wort het vogtig breyn sijn quade dampen quijt.' Zelfs bij de laat-achttiende-eeuwse Betje Wolff en Aagje Deken zijn tranen nog altijd neergeslagen damp: `traanen die uit het hart opwazemen zijn dierbaare blijken van menschlijkheid.'

Aan het eind van de zestiende eeuw werd het gangbare `passio' vervangen door het verdietschte `hartstocht'. Tengnagel en zijn tijdgenoten, aldus Seuntjens, leidden de hartstochten af uit waarneembare lichamelijke verschijnselen (zuchten, tranen, etc.). Sterker: zij identificeerden hartstochten met lichamelijke verschijnselen. Zodra zeventiende-eeuwse auteurs het over hartstochten hebben, vallen opvallend vaak termen als wind, storm, tocht, trek, vlaag, damp of walm. Om nog een aforisme van Cats te citeren: `Soeckt yemant wel te zijn, die moet voor alle dingen Sijn drift, sijn herts-gewoel, sijn binnen-tochten dwingen.' Vergelijkbare passages zijn in de gehele toenmalige West-Europese literatuur aan te wijzen, maar het Nederlandse `hartstocht' heeft volgens Seuntjens geen equivalent in een andere taal.

Wie vandaag over `brandende harten' of `blinde liefde' spreekt, bedoelt dat metaforisch. Homerus' `ziedende toorn', zoals hij Agamemnons passie beschreef, of Tengnagels hartstocht waren daarentegen letterlijk bedoeld. Wanneer heeft de omslag van letterlijk naar figuurlijk plaatsgevonden? Seuntjens vermoedt dat dit proces zich grotendeels in de zeventiende eeuw heeft voltrokken. In die eeuw viel immers de humoraalpathologie van haar voetstuk. Duidelijkheid is pas te verwachten na nauwgezette herlezing van eeuwen aan literatuur. Seuntjens verwacht dat de letterlijke interpretatie van hartstochten vele tot nu toe duistere passages zal verhelderen.

TIJDSCHRIFT `DE ZEVENTIENDE EEUW'. VERSCHIJNT TWEE KEER PER JAAR. NO 2, 2003. LOSSE NUMMERS 15 EURO. UITGEVERIJ VERLOREN, TEL. 035-6859856.