Lijfrentedilemma's

De economische vooruitzichten verslechteren. Daardoor vraagt de oudedagsvoorziening extra aandacht. Het lijkt er immers op dat het (toekomstige) inkomen verschrompelt tot een basisvoorziening. De AOW-uitkeringen blijven achter bij de lonen en prijzen, het pensioen van werknemers krimpt ineen tot een uitkering zonder indexering, op basis van aandelen, en de uitkeringen uit zelf gesloten lijfrentepolissen houden niet over. Over die polissen stellen lezers veel vragen, die helaas niet te beantwoorden zijn, omdat rente en koersen onvoorspelbaar zijn.

Het komt er op neer dat je zuinig moet zijn met je geld voor later, anders zit je straks met een koude, oude dag. Het goede nieuws is dat het gaat om een zeer langetermijnvoorziening. Iemand van dertig jaar, bijvoorbeeld, kan er zestig jaar mee bezig zijn, en in die periode vele ups en downs meemaken. Maar hoe voorspoedig het economisch ook mag gaan, het zit er niet in dat de regelingen weer zo royaal worden als ze waren.

Veel mensen bezitten ter aanvulling van hun pensioen een lijfrenteverzekering, vaak zonder het zelf te weten, wat weleens tot bittere reacties lijdt wanneer een verzekeraar anders reageert dan een polishouder verwacht. Een lijfrente is een regelmatige (periodieke) uitkering die loopt zolang iemand in leven is. Om daar recht op te hebben, moet je eerst een bedrag betalen aan de verzekeraar. Dat kan een eenmalige storting zijn bij de ingang van de rente, maar dat hoeft niet. Meestal bouwen mensen dat bedrag op over een reeks van jaren; tien, twintig, dertig. Ze doen dat door per maand, kwartaal of jaar een premie te betalen, of door eenmalig een koopsom te storten. Dat noemt men dan een koopsompolis.

Het volgende voorbeeld geeft een indruk van de bedragen voor een tijdelijke lijfrente: een man van 60 jaar stort 50.000 euro (of heeft dat via een verzekering opgebouwd in de afgelopen jaren) en wil vijf jaar lang een gegarandeerde uitkering per kwartaal achteraf, zonder slotuitkering. Bij de gulste verzekeraar ontvangt hij 2.788 euro per kwartaal (rendement 4,3 procent) en bij de minste 2.678 euro; 2,7 procent. Een verschil van 110 euro per kwartaal en 2.200 euro, gerekend over 20 kwartalen. De werkelijkheid ziet er anders uit. De uitkering valt in box 1 en onder de inkomstenbelasting. Wie in het 52-procentstarief valt, houdt dus netto minder over dan iemand in het 32,35-procentstarief.

De lijfrenteverzekering dankt zijn populariteit aan de gulheid van de overheid. Je mag premies en koopsommen aftrekken van je belastbare inkomen waardoor je minder belasting betaalt. Zo kon je vroeger voordelige constructies opzetten, ten koste van andere belastingbetalers, maar dat is verleden tijd. De overheid speelt niet langer voor Sinterklaas. Daarom zijn er rond de lijfrenteverzekeringen beperkende (overgangs)maatregelen getroffen.

De duidelijkste ervan is de omkeerregeling: wie nu aftrekt, moet later belasting betalen over de uitkeringen. Daar begint het gedonder, want mensen willen wel de premies aftrekken, maar geen belasting betalen over uitkeringen. Tot voor enkele jaren terug waren ze niet verplicht om de opgebouwde poliswaarde om te zetten in een belaste uitkering. Je betaalde dan eenmalig belasting over die waarde, maar was daarna vrij om de netto waarde te beleggen en zo meer te verdienen dan de gezamenlijke uitkeringen. Bovendien valt na je overlijden het geld toe aan je nabestaanden.

Die keuze bestaat in principe alleen nog voor oudregimepolissen, afgesloten vóór 16 oktober 1990 (tegen premiebetaling) of vóór 1 januari 1992 (tegen koopsom). Veel van die polissen komen nu vrij, moeten/mogen omgezet worden in een lijfrente. En daar komen de vragen over. De meest gestelde: is niet omzetten (in een lijfrente), maar belasting betalen over de poliswaarde en daarna zelf beleggen in aandelen voordelig? Dat weet niemand, want aandelen bieden geen zekerheid en evenmin een vast, regelmatig inkomen, zoals een lijfrente.

Er is veel voor te zeggen om alle tot uitkering komende polissen (sommige mensen bezitten meer dan vijftien verschillende) samen te voegen en daarmee te gaan winkelen om de gulste verzekeraar te vinden. Dat mag, maar het is een hels karwei. Je bent niet verplicht om je kapitalen om te zetten bij de verzekeraar waar het lijfrentekapitaal is opgebouwd. Wie dan kiest voor een levenslange lijfrente, weet waar hij na aftrek van inkomstenbelasting qua uitkering netto aan toe is. Ook qua beleggingsrendement bij in leven zijn op bijvoorbeeld 100.000 euro lijfrentekapitaal. Dit is een echt aanvullend, regelmatig inkomen.

Met die gegevens als uitgangspunt kun je pas schatten of niet omzetten, maar beleggen voordelig is. Stel dat je bij elkaar 100.000 euro aan lijfrentekapitaal bezit. Die wordt in het jaar van afkoop bij je inkomen geteld. Stel het tarief over die ton op gemiddeld 45 procent, dan houd je 55.000 euro netto over om te beleggen. Die valt in box 3, waarin de jaarlijkse 1,2 procent heffing het rendement drukt. Maar die 55.000 euro in box 3, waar steeds iets afgaat omdat het aanvullend inkomen is, moet opboksen tegen die 100.000 euro in box 1. Het is voor een onervaren belegger bijna onmogelijk om de verzekeraar te kloppen.