Koffiedikkijken in Skopje

Cena en Tanas, de tante en oom van fotografe Ilse Frech, woonden sinds 1968 in Skopje, de hoofdstad van Macedonië. Twee jaar geleden besloten ze terug te keren naar Tsjechië, het land waar ze zijn opgegroeid. Ilse Frech reisde met ze mee.

Het is oktober 2001. Ik ben in Skopje, op bezoek bij mijn tante Cena en mijn oom Tanas. Ik wil Cena en Tanas voor het laatst fotograferen in hun huis in Skopje, de plek die hun zo dierbaar is.

We hebben net koffie gedronken en de kopjes staan schuin en omgekeerd op de schoteltjes. Het is een oud gebruik om uit de loop van de koffieprut naar de rand van het kopje de toekomst te voorspellen.

Ik zit tegenover Cena, die met een glimlach op haar gezicht naar haar man kijkt. Hij zit samen met haar jongere zus Gera op het balkon in de zon. Dan staart ze voor zich uit en ik denk met haar mee. Het zal niet lang meer duren dat ze zo bij elkaar zitten, op deze plek.

Tanas hangt de was op. Zijn vrouw en haar zuster lachen om zijn onhandige pogingen, hij lacht verlegen mee. Op de achtergrond hoor ik Macedonische folklore uit het draagbare radiootje galmen, niemand die er echt naar luistert.

Cena wendt haar blik af en terwijl ze naar haar handen kijkt die stijf zijn van de reuma, begint ze te vertellen over haar leven.

***

'Ik ben op 1 februari 1937 geboren in het dorp German (tegenwoordig Agios Germanos), in wat vroeger Grieks Macedonië was en nu Noord-Griekenland is. Mijn vader heette Boris Asancarovska, mijn moeder Stoja. Wij waren met drie zussen thuis. Mijn moeder heeft tussen ons in een aantal zonen verloren.

Tot vlak na de Tweede Wereldoorlog leefden we gelukkig samen op een boerderij, maar door de burgeroorlog die in 1946 uitbrak tussen de Griekse communisten en het Joegoslavische partizanenleger, moest ik met mijn twee zusjes vluchten, weg van mijn land en mijn vrolijke jaren.

'We vertrokken in maart 1948. Met tranen in de ogen namen we afscheid van onze ouders. Mijn vader en moeder bleven achter, want mijn vader vocht mee met de partizanen. Mijn zusjes, Gera van zes jaar en Veselinka van drie jaar, begrepen er niets van. Ik was toen al twaalf. Veselinka klampte zich aan haar moeder vast. Met een heleboel andere kinderen uit het west-Macedonische gedeelte van Griekenland werden we op de trein gezet en in de plaats Brailovo maakten we onze eerste stop. We zijn er drie maanden gebleven. Veel te eten hadden we niet, van tijd tot tijd ging ik er als oudste van ons drieën op uit op zoek naar eten. Vooral om Veselinka maakte ik me zorgen. Ze huilde voortdurend en vroeg steeds naar haar moeder. Met geen enkel woord kon ik haar stil krijgen, ik verlangde zelf ook naar mijn moeder. Na drie maanden kregen we te horen dat we met de trein naar Tsjecho-Slowakije gebracht zouden worden. Maar Veselinka ging niet met ons mee. Dus we moesten weer afscheid nemen. Zij werd opgevangen door een tante van mijn vader, die in Dupeni woonde, een klein dorpje in Macedonië.

'Gera en ik arriveerden in Brno, Tsjecho-Slowakije. We waren moe van de lange reis en we kregen een warm onthaal. Een bad, nieuwe kleding en eten. En hierna mochten we in een warm bed onder donsdekens slapen! Eindelijk brak er weer een regelmatig leven aan. We mochten naar school en ik was erg blij dat ik samen met mijn zusje op dezelfde school zat. Vijf jaar lang hebben we onze ouders niet gezien. Zij waren ook gevlucht. Van het Rode Kruis hoorden we dat ze in Polen zaten.'

***

'In 1953 zijn we herenigd. We zouden onze ouders ontmoeten op het station in het dorp Texonin. Ik zocht zenuwachtig naar mijn vader, maar waar ik ook keek, ik zag hem niet. Plotseling hoorde ik zijn stem. Hij stond tegen een man te vertellen dat zijn dochters niet aangekomen waren. Hij liep alweer weg en ik ging hem achterna. Hij ging een kamer binnen, waar mijn moeder met mijn broertje zat. Ik aarzelde en bleef staan bij de deur. Ik hoorde hem zeggen dat alle kinderen de trein uit waren gelopen, behalve zijn dochters... Op dat moment deed ik de deur open en rende naar ze toe, ik huilde, zoende en omhelsde hen! Wat waren we blij elkaar weer te zien, ze waren opgelucht dat we toch aangekomen waren, want na al die jaren hadden ze ons gewoonweg niet meer herkend! Het was een emotioneel weerzien. Ik zal het nooit meer vergeten.'

Het is even stil. Dan gaat Cena door met haar verhaal: 'Toen ik 19 was, werd ik verliefd op Tanas. Hij was een mooie, lieve en hartelijke man met gevoel voor humor. We zijn in augustus 1957 getrouwd en ik ging bij Tanas in het dorp Krnov wonen. Hij werkte als monteur in een fabriek en ik kreeg een baan als boekhouder. We waren gelukkig samen, we hadden veel plezier en gingen in de weekends uit met vrienden en kennissen. Onze eerste zoon, Kole, werd in 1958 geboren en zijn broer, Anastas, in 1961. Ik was de gelukkigste moeder van de wereld, met twee kinderen en mijn man. Ik had alles wat ik wenste.'

Maar aan die idylle kwam een einde, toen Cena en Tanas besloten om in 1968 naar hun geboorteland Macedonië te verhuizen. Dat kwam door de grote aardbeving in Skopje, van 1963.

Cena's zus Gera was al in 1964 naar Macedonië teruggegaan. Gera is inmiddels van het balkon opgestaan en bij ons aan tafel komen zitten. Ze vertelt: 'Na de aardbeving wilde ik met mijn eigen ogen zien hoe onze familieleden eraan toe waren'. Ze zag veel armoede in Macedonië, en ze vertelt dat ze het gevoel had dat ze nodig was op die plek. Ze besloot in Skopje te blijven en kreeg vrij snel een baan als hoofdverpleegkundige op de afdeling chirurgie van het staatsziekenhuis. Samen met haar ouders, Veselinka en hun enige en jongste zoon woonden ze in een barak. Ze leidden een arm bestaan, en leefden uitsluitend van haar inkomen.

***

Vier jaar later, in 1968, kwamen haar zus Cena met haar man Tanas en hun zoons ook naar Skopje. 'Ik ging als boekhouder bij de opera werken', zegt Cena. 'We konden altijd met het hele gezin gratis naar de voorstellingen.'

Maar het leven in Macedonië was zwaarder dan in Tsjecho-Slowakije. Hun zoon Kole ging in 1976 terug naar TsjechoSlowakije om daar een opleiding voor binnenhuisarchitect te

volgen. Hij trouwde met een Tsjechische.

En nu gaan Cena en Tanas hun zoon weer achterna. Ze komen in hetzelfde stadje te wonen, in Trutnov. Een plek die ze allemaal kennen. Maar waarom gaan ze weer terug naar Tsjechië? Op hun leeftijd?

'Om bij de kinderen en de kleinkinderen te zijn', is hun antwoord. En omdat het in Macedonië economisch zo slecht gaat. Voor hun zoon Anastas, inmiddels 40 jaar, is er in Macedonië geen cent te verdienen. Dankzij zijn moeder heeft hij al jaren een baan bij de opera in Skopje, maar hij krijgt zijn loon onregelmatig uitbetaald. Met een tweede vrouw, twee kinderen en een derde op komst moest hij een regulier inkomen hebben. Omdat hij in Tsjechië meer kans heeft op beter betaald werk, heeft het gezin besloten te emigreren.

De drie kopjes bleven die middag onaangeroerd omgekeerd op de schoteltjes staan. Ik heb niet meer naar de toekomst gevraagd. Soms is het gewoon beter de dingen maar op je af te laten komen.

***

Een paar weken later zijn Cena en Tanas vertrokken. Met de radio, het beddengoed, het servies en wat kleding. Inmiddels weet ik de werkelijke reden van hun vertrek: angst voor een burgeroorlog tussen Albanese rebellen en het Macedonische leger. Sinds de oorlog in Joegoslavië hebben ze geen vertrouwen meer in een oplossing van etnische conflicten.

Cena stuurt me een brief waarin ze haar gemoedstoestand beschrijft: 'Tanas en ik waren angstig. We besloten om weg te gaan. Weg uit Macedonië, om niet weer een oorlog te moeten meemaken. Ik ben bang, zei ik op een avond tegen Tanas. Mijn man keek me aan en zei een hele tijd niets. Hij wreef met zijn handen over het tafelkleed. Hij wilde iets zeggen, nam nog een hap, slikte moeizaam, aarzelde, maar bleef zwijgen. We zaten een tijd tegenover elkaar zonder iets te zeggen. Het enige wat geluid maakte waren de lepels die zachtjes tegen het porselein aantikten. Ik keek naar het bord met soep, en naar mijn man. Mijn ogen vulden zich met tranen.

'Het waren mooie jaren in Skopje. Herinneringen schoten door me heen. Ik zag mijn moeders gezicht voor me. Elke dag zagen we elkaar. Vaak gingen we samen naar de markt. Mijn vader was jaloers, hij vond dat we te lang wegbleven. Ik plaagde hem er altijd mee en zei dan tegen hem dat hij toch alvast koffie kon zetten voor ons. Ik dacht aan mijn zus en broer die ik achter zou moeten laten. Ik pakte een zakdoek uit m'n mouw. Ik zette mijn bril af en depte de tranen ermee. Oef... het viel me zwaar. Wat moesten we nu doen? De spanning tussen de Albanese en Macedonische bevolking nam met de dag toe. Waar zou het eindigen? In een burgeroorlog? Het hield me bezig. Het nieuws wilde ik niet meer zien. Op straat durfde ik me haast niet te vertonen. Soms schrok ik op van geluid. Wat was dat in de verte, hoorde ik een doffe knal? Bij Gera in de buurt hebben ze de Albanese winkels geruïneerd. De ruiten zijn er kapotgeschoten. Ik stond op van de tafel, liep naar de keuken. Ik keek naar buiten. Waar gaat het heen met dit land?'

Cena en Tanas wonen nu twee jaar in Tsjechië. Ze denken nog veel aan Skopje, maar ze hebben zich bij hun nieuwe situatie neergelegd. 'Het eerste half jaar in Tsjechië heb ik elke dag moeten huilen om het gemis van mijn zus', zegt Cena. 'Mijn man en zoon hebben me getroost en liefde gegeven, wat ik erg nodig had.' Hun zoon Anastas woont inmiddels weer bij ze in. Zijn huwelijk is op de klippen gelopen; zijn vrouw en kinderen wonen nog in Skopje. Cena en Tanas hebben er veel verdriet van.

***

In de zomer van 2002 gaan Cena en Tanas voor 3 maanden op vakantie naar Skopje. Vanuit Trutnov reis ik met ze mee. Ik houd een dagboek bij.

***

Woensdag 26 juni 2002.

We zitten in de auto, mijn tante, mijn oom, Anastas en ik. Sinds vanochtend vroeg zijn we op pad. Het belooft een mooie, zonovergoten dag te worden. Vanuit Tsjechië rijden we nu via Bulgarije naar Skopje. We zijn door niemandsland gereden; behalve bergen en heuvels begroeid met bomen, akkers die eenzaam in het felle zonlicht lagen, torenflats afgewisseld met industrie langs de kant van de autoweg, kan ik de sfeer in dit anonieme Bulgarije niet goed benoemen. De onmetelijke velden en heuvels geven je een gevoel van vrijheid, een enkele boom flitst aan ons voorbij. Voor ons, in het laatste daglicht, dat toch kristalhelder is, maar de kleuren van het landschap zacht als pasteltinten maakt, voetballen jongens op grasvlakten aan de voeten van het gebergte in de verte. Bergen waar tot ruim een jaar geleden Albanese guerrilla's zich schuilhielden en de omringende dorpen terroriseerden in hun claim om erkenning en meer gelijke rechten voor de Albanese minderheid in Macedonië.

Eenmaal in Skopje worden mijn tante en oom stil. Ze kijken uit het raam en hen treft vast en zeker de onverminderde levendigheid van de stad. Zwermen mensen overal op straat: Macedoniërs, Turken, Albanezen, Roma. Wanneer het gaat schemeren, is er van enige vermoeidheid nog geen sprake. We gaan van de weg af en via een hobbelig zijpaadje rijden we de wijk binnen waar Gera, mijn andere tante, woont. Cena is blij en gelukkig dat ze haar zus Gera terugziet. 'Het was of er een steen van mijn hart viel', zegt ze. In de dagen die volgen zullen mijn tante en oom bij Gera logeren, tot Cena en Tanas naar het tuinhuisje gaan dat ze nog in de bergen hebben.

***

Zaterdag 29 juni 2002. Vandaag brengen Anastas en ik Cena en Tanas naar Dobri Dol, een gehucht in de bergen, zo'n 25 kilometer buiten Skopje. Ze hebben daar een klein huisje en een stuk grond waarop ze druiven verbouwen. Het is een heel avontuur met een auto te gaan waarvan je niet zeker weet of je de berghelling op kunt komen, of dat de auto kantelt en we al tollende met z'n vieren het pad bergafwaarts gaan. Tanas is zo bang dat hij uitstapt en de rest van de klim gaat lopen, totdat het pad niet meer omhoog gaat! Zodra we zijn aangekomen wordt het huisje gelucht en opgeruimd.

***

Tanas staat met een hoed op samen met z'n zoon bladeren van de wijnranken te plukken en even later wordt er koffie gedronken bij de buurman. Herinneringen worden opgehaald, er wordt gelachen en gepraat. In de verte hoor je het gerinkel van de schaapskudde en z'n herder, de lucht is koel, niets dan stilte tot in de wijde omtrek.

Ilse Frech is freelance fotograaf.