`Ik zei: dan neem je mijn nier toch?'

Nu er niet genoeg dode donoren zijn om aan de vraag naar organen te voldoen, wordt een beroep gedaan op levende donoren. Het is niet zo makkelijk, zeggen Bas en Nanda van de Ruit. Zij gaf hem haar nier. ,,Ik vroeg me af: kun je dan nog wel ruzie maken?''

Het is nu `de nier waardoor hij weer kan traplopen'. Niet `haar nier' en zeker niet `zijn nier'. Nanda van de Ruit (44) was boos toen haar man Bas vlak na de transplantie ,,Nanda's nier'' zei. Hij had een nieuwe nier nodig en zij gaf die aan hem. ,,Nu is-ie van jou'', was ze uit haar slof geschoten. Het is arrogant, zegt Bas van de Ruit (43), om over zíjn nier te praten, ,,het blijft namelijk altijd een gift''. Nu is het alweer twee jaar geleden en hebben ze het er eigenlijk nooit meer over. ,,We doen net alsof het iemand anders' nier is'', zegt zij.

Er is een tekort aan donororganen. Ongeveer 1.400 mensen staan op de wachtlijst – onder wie 1.200 nierpatiënten – en er waren vorig jaar slechts 200 zogenoemde postmortale donoren. Daarom moet minister Hoogervorst van Volksgezondheid volgend jaar beslissen of hij de wet gaat veranderen, bijvoorbeeld door mensen automatisch donor te maken tenzij ze daar officieel bezwaar tegen maken. Nu is het andersom: nabestaanden moeten eerst officieel toestemming geven, en dat doen ze meestal niet. Een medisch ethicus stelde deze week voor patiënten eerst aan familie om een nier te laten vragen en hen pas dan in aanmerking te laten komen voor een orgaan van een anonieme donor. De minister, en veel nierartsen met hem, adviseert patiënten `familiedonatie' te overwegen.

Bas en Nanda van de Ruit hebben drie kinderen: een jongen van vijftien en twee meisjes van dertien en acht. Hij heeft een autorijschool. Zijn eerste donornier kreeg Van de Ruit in 1979, van een anonieme donor. Zijn ouders hadden hem zó een nier willen geven, maar dat was niet nodig. Er waren nog geen wachtlijsten. En de transplantatietechnieken waren nog niet zo goed. De artsen wilden daarom liever niet dat een familielid een nier schonk. Nu zijn er ook betere medicijnen beschikbaar, waardoor donor en ontvanger minder schade ondervinden van de operatie.

Partnerdonatie is niet zo makkelijk als nu wordt voorgesteld, zegt hij. ,,Je kan het onmogelijk van iemand vragen.'' Nanda: ,,Toen hij zo slecht lag in het ziekenhuis zei ik een keer, min of meer voor de grap: `Dan neem je mijn nier toch?' Maar dat wilde hij niet. Laat er één gezond blijven, zei hij.'' Bas: ,,Ik vroeg me af: kun je dan nog wel ruzie maken? Krijg je dan niet dat zij zegt: `Ja, maar jij hebt mijn nier.' In een verhouding zonder ruzie geloof ik niet.'' Zij vond het eigenlijk toch ook niet zo'n goed idee: ,,Mocht een van onze kinderen een aandoening krijgen, dan heb ik liever dat een kind mijn nier krijgt.''

Later, maanden na het ziekenhuis, kwam de omslag. Toen zag hij weer hoe zwaar het was, die dialyse. Twee weken op de camping en dan zes keer naar het ziekenhuis. En de vriendjes van de kinderen zagen hun vader altijd in een pyama, of ziek op bed. Op een dag zei een goede vriend tegen Nanda dat haar kinderen nú bijna in de puberteit waren. Een donornier gaat gemiddeld tien jaar mee. En over tien jaar zouden de kinderen hun ouders alweer minder hard nodig hebben. 's Avonds bij het eten zei ze dat tegen Bas. En die vond dat ook.

Nanda: ,,Mijn moeder heeft het niet direct zo gezegd, maar ze was bang. Ik ben haar enige dochter.''

Bas: ,,Mensen zeggen niet: `Dat moet je niet doen.' Ze zeggen: `Weet je wel waar je aan begint?'''

In het ziekenhuis in Leiden kreeg Nanda een bloedonderzoek, een scan en een psychologische test, omdat men zeker wilde weten dat ze niet tot donatie gedwongen was.

Ze moest zes maanden wachten. De academische ziekenhuizen kennen wachtlijsten voor levende donoren, omdat er onvoldoende operatiepersoneel is. Rotterdam voert iedere week een familietransplantatie uit en kent een wachtlijst van gemiddeld vier à vijf maanden. In Leiden gebeurt het om de week. De wachttijd werd daar afgelopen jaren teruggebracht van een jaar naar vijf à zes maanden.

Artsen verwachten dat levende donoren binnenkort nog wel langer zullen moeten wachten. ,,De maatschappelijke druk op familieleden van nierpatiënten neemt toe'', ziet Van de Ruit. ,,Nog even en we gaan hier ook geld bieden voor organen.'' Dat vindt hij ,,schandalig''.

Die eerste nier bleef een voorwerp, zegt Van de Ruit. Ieder jaar vierden ze 10 april met een barbecue in de tuin, de dag waarop zijn nier was ingebracht. Totdat zes jaar geleden de moeder van het donormeisje hem toevallig op het spoor kwam en hem belde. Hij zocht het gezin thuis op. ,,Ineens voelde het alsof ik geprofiteerd had van iets wat voor die familie nooit meer goed zou komen.''

Ook 7 augustus vieren ze niet. De kinderen hadden ineens beide ouders in het ziekenhuis liggen. Hij bracht haar naar de operatiekamer. De transplantatie slaagde, maar niet zonder complicaties. Zij kreeg te veel morfine, haar bloeddruk daalde, ,,ineens stonden er tien man om mijn bed''. Hij was bijna dood gegaan, door de afstotingsverschijnselen. Dat was een grote angst van Bas, dat zijn vrouw een nier zou schenken en dat het dan voor niets zou zijn geweest. ,,Je weet dat het altijd fout kan gaan. Maar als het een nier van een dierbare is, is dat een veel grotere belasting.''

Ze hebben het afgerond. Ze trouwden voor de kerk. ,,Toen we in 1984 trouwden, vond ik niet dat ik haar kon beloven voor altijd bij haar te blijven. Nu kan ik dat wel.'' Hij gaf haar een ring. In het zegel is een nier gedrukt. Hij draagt dezelfde ring.

Zij voelt zich prima, zegt ze. Alleen als het weer verandert, voelt ze `iets'. Hij voelt zich ook goed. Ook voordat hij de nier van zijn vrouw kreeg, viel hij anderen zo min mogelijk lastig met zijn ziekte. ,,Ik houd sowieso veel voor me. Nu misschien iets meer.''

    • Esther Rosenberg