Hulp van Freud

Het decembernummer van Schach lag bij de post en zodra ik het zag verheugde ik me op het artikel van Robert Hübner dat er in moest staan. In het vorige nummer was hij begonnen met een bespreking van het boek Garry Kasparov: My Great Predecessors en in het nieuwe nummer zou het vervolg staan. Als Hübner iets aanpakt, doet hij het grondig. De eerste aflevering van zijn recensie telde twaalf pagina's, de tweede dertien en hij verontschuldigde zich dat hij het kort had moeten houden.

Het boek van Kasparov is het begin van een groot project. Deel 1, over de wereldkampioenen Steinitz, Lasker, Capablanca en Aljechin, heeft 464 pagina's en er moeten nog minstens vier andere delen komen.

Dat eerste deel is de hemel in geprezen en de grond in geboord. De kritiek kwam er op neer dat de historische vertellingen slordig en niet origineel waren en dat in de partijanalyses te weinig verwezen werd naar oude bronnen, waarbij in het midden werd gelaten of Kasparov die bronnen stilletjes had overgeschreven of dat hij niet de moeite had genomen om er naar te kijken.

Het was nooit helemaal duidelijk of Kasparov zelf verantwoordelijk was voor de feilen van het boek of zijn medewerker Dimitri Plisetski. In ieder geval klinkt de stem van de meester duidelijk in de introductie, waarin op typisch Kasparoviaanse wijze de stijl van de kampioenen wordt verklaard uit de tijdgeest. Het spel van Adolf Anderssen wordt in verband gebracht met Hegel en Schopenhauer en over Lasker schrijft Kasparov: ,,Een diepe kennis van de menselijke psychologie en een begrip van de relatieve waarde van schaakstrategie hielpen hem bijna alle evenementen te winnen waaraan hij deelnam (....) En wie waren in die tijd de meesters van het denken? Natuurlijk, Einstein en Freud!''

Voor dit soort orgelend denken, dat het woord `denken' niet verdient, is Hübner allergisch en omdat ik dat zelf ook ben beleefde ik veel plezier aan zijn koel-sarcastische afrekening met de romantische clichés waarvan Kasparov en Plisetski zich in ruime mate bedienen.

Maar toch moet ook Hübner toegeven dat Kasparov in zijn partijanalyses veel nieuwe dingen heeft gevonden. Wat er ook op aan te merken valt, Kasparov heeft een immense hoeveelheid werk verzet. En bovendien heeft hij van de nood een deugd gemaakt door iedereen uit te nodigen correcties op zijn boek in te sturen.

Het heeft tot gevolg gehad dat er nu op de website chessbase.com een debat gaande is tussen Kasparov en zijn lezers dat eerst ging over de `immergrüne' partij Anderssen-Dufresne (1852) en over Bird-Morphy (1858) en nu over Tsjigorin-Steinitz (1892).

In Schach gaat Hübner onder meer in op Kasparovs commentaren op Rosanes-Anderssen (1863). Zo blijft het verleden levend en al past het wel bij Kasparovs streven om zichzelf af te schilderen als de laatste mens, een man met grote voorgangers en zonder opvolgers, toch is het mooi om te zien.

Wit Rosanes-zwart Anderssen, Breslau 1863

1. e2-e4 e7-e5 2. f2-f4 e5xf4 3. Pg1-f3 g7-g5 4. h2-h4 g5-g4 5. Pf3-e5 Pg8-f6 6. Lf1-c4 d7-d5 7. e4xd5 Lf8-d6 8. d2-d4 Pf6-h5 9. Lc4-b5+ Anderssen beval 9. 0-0 Dxh4 10. De1 aan en Kasparov is het met hem eens. 9...c7-c6 10. d5xc6 b7xc6 11. Pe5xc6 Pb8xc6 12. Lb5xc6+ Ke8-f8 Een veelgeprezen torenoffer, maar Hübner is niet geheel overtuigd en wijst op 12...Ld7. Vaak komen de aanbevelingen van Hübner overeen met die van de computer, waarschijnlijk niet doordat hij met een computer analyseert – ik vermoed dat Hübner niet eens een computer heeft – maar doordat zijn schaakdenken zeer concreet is, met een gezond respect voor de waarde van materiaaal. 13. Lc6xa8 Ph5-g3 14. Th1-h2 Volgens Kasparov was goede raad al niet meer te geven aan wit en hij schrijft dat na 14. Kf2 Pxh1+ 15. Dxh1 g3+ 16. Ke1 De7+ 17. Kd1 Lg4+ 18. Lf3 Lxf3+ 19. gxf3 Tg8 20. Dg2 Dxh4 21. Ke2 Dh2 22. Kf1 h5 de opmars van de h-pion beslissend is.

MmMmMfjm

aMmMmgmM

MmMcMmMm

mMmMmMmg

MmMAMaMm

mMmMmGaM

GAGmMmKe

DHCMmLmM

Maar Hübner analyseert nog even door vanuit de diagramstelling met 23. Pc3 h4 24. Pe2 h3 25. Dg1, waarna hij geen winst voor zwart ziet en zelfs geen redding. Ook in het vervolg zijn er nog een paar momenten waar hij voor wit veel betere verdedigingen aangeeft dan wat Rosanes speelde. 14...Lc8-f5 15. La8-d5 Kf8-g7 16. Pb1-c3 Th8-e8+ 17. Ke1-f2 Dd8-b6 18. Pc3-a4 Db6-a6 19. Pa4-c3 Ld6-e5 20. a2-a4 Hier kondigde Anderssen mat in vier aan: 20...Da6-f1+ 21. Dd1xf1 Le5xd4+ 22. Lc1-e3 Te8xe3 23. Kf2-g1 Te3-e1 mat

    • Hans Ree