HOLLANDS DAGBOEK: Karen Gelijns

Karen Gelijns (31), `beroeps bepaalde tijd' bij de marine en hoofdredacteur van Alle Hens, ging afgelopen week naar de Nederlandse militairen in Irak. Vijfentachtig procent van de Irakezen daar steunt hun werk in de provincie Al-Muthanna, maar de angst voor die ene kwaadwillende is voelbaar. `Opeens rennen vijftig man naar de truck met pech.'

Woensdag 26 november

Vanochtend om 6.30 uur geland op Basra International Airport, Irak. Het avontuur is begonnen. Op het vliegveld werd ik met open armen ontvangen door het `Media Ops'-team van het Tweede Nederlandse detachement in Irak. Dat zijn kapitein der mariniers Ruud van Beckhoven, sergeant-majoor der mariniers Herman Hulsinga, korporaal der mariniers Jasper Versteeg, marinier 1 Erik Oude Nijhuis en de fotograaf, korporaal Jens `Telelens' Grijpstra. Zij zijn mijn beschermengelen deze week. Doel van mijn bezoek is het schrijven van een reportage over de werkzaamheden van de Nederlandse eenheden in Irak.

Sinds 1 juli van dit jaar zet de Stabilisation Force Iraq (SFIR) zich namelijk in voor stabiliteit en veiligheid in de zuidelijke provincie Al-Muthanna. De tweede lichting nam het medio november over, die rotatie betrof alle 1.100 militairen. Dit zijn zowel mannen als vrouwen van de marine, luchtmacht, landmacht en marechaussee. De patrouilles in Al-Muthanna worden uitgevoerd door de mannen (geen vrouwen) van het Tweede Mariniersbataljon.

Met twee laro's (Landrovers) gingen we van Basra op pad naar provincie Al-Muthanna. De snelweg `Tampa', van Basra naar Bagdad, leidt dwars door het desolate woestijnlandschap van de Baditahal Ja'ubiy (Southern Desert). We rijden langs uitgebrande karkassen van voertuigen, overblijfselen van plunderingen die sinds het einde van de oorlog een groot probleem vormen. Alles met waarde wordt meegenomen en verkocht. Vangrails zijn verdwenen, elektriciteitspalen zijn neergehaald voor de koperdraad en lantarenpalen gestript van elektriciteitsleidingen.

Ook de vele konvooien over de snelweg vallen op. Als een tankwagen pech krijgt, rijdt een konvooi door. De wagen blijft in de berm achter en dat betekent: voer voor plunderaars. Binnen enkele minuten staan er tientallen Irakezen om de benzine over te hevelen in jerrycans. De penetrante geur van brandstof, die inmiddels over de snelweg stroomt, hangt in de lucht. Met verbazing kijk ik naar deze explosieve situatie. Dat is het leven van alledag in Irak.

Na enkele uren bereiken we As-Samawah, de hoofdstad van provincie Al-Muthanna. Daar net buiten ligt Camp Smitty, de hoofdlocatie van de Nederlandse eenheden. Ik krijg een rondleiding. In tegenstelling tot het begin van de uitzending, toen de militairen in de verzengende hitte in tenten sliepen en werkten, staan er nu prefab slaapcabines, een grote eettent, een Field Dressing Station (veldhospitaal) en zelfs een fitnessruimte. Daarna zoek ik moe mijn hutje op. Inmiddels ben ik bijna veertig uur op de been en kan ik mijn ogen nog nauwelijks openhouden.

Donderdag

In de stromende regen vertrokken we vanochtend naar het kamp van de 21ste infanteriecompagnie in Ar-Rumaythah. Direct viel me op hoe positief de mariniers zijn over hun werk en over de interactie met de lokale bevolking. Ze praten tijdens de dagelijkse patrouilles veel met de bevolking, vertellen ze. De bevolking staat grotendeels positief tegenover de coalition forces – zeker in vergelijking met het noorden van Irak. Daarnaast verzamelen ze tijdens de patrouilles belangrijke informatie over primaire voorzieningen en over eventuele problemen die spelen. Als we later door het gebied rijden, ervaar ik zelf hoe vriendelijk de bevolking reageert op de Nederlandse militairen. Met name de kinderen staan, met hun bevuilde snoetjes en voetjes, enthousiast te roepen en te zwaaien als we passeren.

Op de terugweg naar Camp Smitty rijden we door As-Samawah. Net als in Ar-Rumaythah wordt ook hier het straatbeeld bepaald door veel vuil, talloze kraampjes, ezelwagentjes en zwaaiende kinderen. Aan de rand van het stadje stuiten we op een lange file. Het zijn auto's die in de rij staan voor het tankstation, een normaal beeld in Irak. Bij de rivier de Eufraat, die dwars door de stad loopt, staan tientallen mensen te vissen. Terwijl we staan te kijken, klinken in de verte opeens schoten. Ik schrik even, maar het blijkt een vreugdevuur. De ramadan is ten einde, de moslimbevolking viert het Suikerfeest.

Vrijdag

Vandaag mocht ik zelf mee met een sociale patrouille. Vanuit Al-Khidr, de locatie van de 23ste infanteriecompagnie, gingen we naar het kleine dorpje Ad-Darrij. Door de stromende regen waren de wegen veranderd in een drekkige massa, waar nauwelijks doorheen te komen is. De mannen en kinderen stromen direct toe wanneer de Landrovers halt houden en de mariniers uitstappen. Zodra ze de camera van de fotograaf zien, roepen de kinderen `Mister, mister, picture, picture'. De sfeer is gemoedelijk. In een piepklein levensmiddelenwinkeltje hoort de geweergroepscommandant bewoners uit over de levensomstandigheden. Met behulp van een tolk verzamelt hij informatie over voedsel, huisvesting, vervoer, gezondheidszorg in het dorp – primaire voorzieningen die er niet zijn – en over de samenwerking met de politie ter plaatse. Belangrijke informatie voor het handhaven van de veiligheid en stabiliteit in het gebied. Net als de wederopbouw van het bestuur en de economie plus het tegengaan van criminaliteit.

Op weg naar Tallil zien we met eigen ogen hoe plunderaars – Ali Baba's in de volksmond – te werk gaan. Een brandstoftruck van een Amerikaans konvooi staat met pech langs de weg. Alsof ze uit het niets komen, rent opeens een man of vijftig door het terrein naar de truck. Een Amerikaanse marinier schiet met een M-16 met rocketlauncher een rookgranaat af om de mannen af te schrikken. Op de terugweg ligt de truck volledig uitgebrand naast de weg. Inmiddels is het donker. Als we weer een brandende truck passeren met tientallen mensen ernaast, bekruipt me toch een licht gevoel van angst. Dezelfde situatie voelt meteen anders aan zodra het donker is.

Zaterdag

Vandaag ben ik meegegaan met een gezamenlijke patrouille van de 22ste Infanteriecompagnie met mensen van het Iraqi Civil Defence Corps (ICDC), de voorloper van het nieuwe Iraakse leger. In het kader van de wederopbouw van het land leiden de coalitie-eenheden door het hele land ruim 4.000 Irakezen op voor dit korps. De nadruk ligt daarbij op het uitvoeren van patrouilles, het instellen van vehicle checkpoints en het beveiligen van objecten. Bij de nieuwe cementfabriek in As-Samawah – de eerste fabriek die sinds het eind van de oorlog weer operationeel is – voerden de Irakezen een objectbeveiliging uit. Een geweergroep van acht man van de 22ste Infanteriecompagnie houdt toezicht op het verloop van de beveiliging. Korporaal Remco, commandant van de geweergroep, vertelt dat de samenwerking goed verloopt en dat de mannen van het ICDC bijzonder gemotiveerd zijn. Toch merkt hij ook de cultuurverschillen in de werkwijzen. Zo reageren de Irakezen van het ICDC soms iets te agressief op de lokale bevolking, terwijl de mariniers juist een vriendelijke maar professionele houding aannemen.

's Avonds in het Coalition Provisional Authority (CPA)-house een briefing bijgewoond over alle CIMIC-projecten die in de provincie worden uitgevoerd. CIMIC (Civil Military Cooperation) is een samenwerkingsverband dat zich inzet voor de wederopbouw van een land. Het aantal projecten dat in provincie Al-Muthanna wordt uitgevoerd is ongelooflijk. Wegen en bruggen worden herbouwd; ziekenhuizen voorzien van medische apparatuur en medicijnen; scholen hersteld; irrigatiekanalen aangelegd; waterputten geslagen; en de elektriciteitsvoorziening zo goed als mogelijk hersteld. Voor alle projecten wordt gebruikgemaakt van lokale aannemers om de werkgelegenheid te stimuleren. Een van de grote – eenmalige – projecten waar de organisatie nu mee bezig is, is de verstrekking van 100.000 liter kerosine aan de bevolking. Zij gebruiken de kerosine om te koken en met de woestijnwinter voor de deur zal dit een zeer welkome gift zijn.

Zondag

Wederom een enerverende dag. Met pijnlijke voeten van het lopen en gevoelige schouders van het twaalf kilo zware kogelvrije vest kruip ik achter mijn laptop. Het is inmiddels zondagavond op Camp Smitty en de vele indrukken van weer een dag Irak spoken door mijn hoofd. Vanochtend begon het met de distributie van kerosine in As-Samawah. Het viel me mee hoe geordend de uitgifte ging. Het viel me wel op dat het de vrouwen waren die met de jerrycans sleepten. Een zware taak, gezien het aantal vrouwen die halverwege de weg met hun 20 liter stranden en daarna weer moeizaam hun weg vervolgen, gadegelagen door de mannen.

Vanuit As-Samawah zijn we naar Ar-Rumaythah gereden. Met een geweergroep van de 21ste Infanteriecompagnie te voet op patrouille. De hele weg volgen tientallen kinderen ons. Op momenten dat de patrouillecommandant met stamoudsten praat word ik, voor ik het weet, omringd door tientallen kinderen en mannen. Dat benauwt me. Het feit dat je als vrouw ongesluierd loopt trekt al veel bekijks. Zeker als je ook nog in uniform gekleed gaat. Ik stond in Ar-Rumaythah weer oog in oog met schrijnende armoede. Open riolen stromen door de straten. Daar is ook een kippenmarkt, waar ze voor je ogen de kippen letterlijk een kop kleiner maken, en de vismarkt. Terwijl we door de drek lopen, realiseer ik me hoe blij ik ben dat ik in Nederland geboren ben. Maar de inwoners van Ar-Rumaythah denken waarschijnlijk hetzelfde over hun eigen land. Ze stralen nog steeds trots en blijdschap uit.

Een van de dorpsoudsten zegt de nachtelijke patrouilles bijzonder op prijs te stellen. Deze schrikken criminelen af en zijn goed voor het algehele gevoel van veiligheid. Een flinke vooruitgang, vergeleken met de afgelopen tientallen jaren, toen ze onder het regime van Saddam niet eens hun eigen broeders of kinderen konden vertrouwen.

Ik ga zo nog even mijn lief bellen en hem vertellen dat ik van hem houd, en dan bereid ik me voor op de dag van morgen.

Maandag

De laatste dag in Irak. Ongelooflijk hoe snel de tijd is gegaan. Vanuit As-Samawah bepakt en bezakt richting Basra vertrokken. 's Avonds op de Nederlandse basis in Shaiba gewacht op transport naar het vliegveld. Daar ontmoet ik een korporaal der mariniers met een unieke functie. Samen met nog een Nederlandse marinier en twee Britse chauffeurs beveiligt deze korporaal de Nederlandse politiek adviseur te Basra. Uit zijn verhalen blijkt duidelijk dat de situatie in deze stad een stuk dreigender is dan in Al-Muthanna. Zo ontsnapte hij al een paar keer aan boobytraps, die gelukkig voor hem net te laat (of niet) afgingen. Daarna rijd ik met bonkend hart richting het vliegveld van Basra.

Dinsdag 2 december

Na een lange reis ben ik vanochtend weer geland in Nederland. Dolblij om weer veilig op Nederlandse bodem te staan. Hoewel de situatie in Al-Muthanna niet te vergelijken is met die in Bagdad, blijft de rust daar relatief. Want al steunt 85 procent van de bevolking in deze provincie de Nederlandse aanwezigheid, slechts één man met kwade bedoelingen is genoeg. De Nederlandse militairen ter plekke zijn zich hier dan ook terdege van bewust. Hoewel zij goede ervaringen hebben met de bevolking, begrijpen de mariniers dat ze in feite niemand kunnen vertrouwen.

Een beetje verdwaasd rij ik naar huis. Alles oogt surrealistisch. De keurige snelwegen, de rijkdom, de schone straten en de vroege kerstverlichting. Als ik thuis ben en Marten me in zijn armen sluit, valt alle spanning van me af.