Het belang van een maatje

Alleen zijn en eenzaamheid zijn twee dingen. In Finland zijn mensen meer alleen, maar minder eenzaam dan in Italië. Nederland hangt daartussen in.

DE ROMANTIEK van de `extended family' verdwijnt voorgoed voor wie de laatste resultaten van het onderzoek naar eenzaamheid tot zich neemt. Het failliet van de hechte familiegemeenschap, waarin de onderlinge banden sterk en frequent zijn en niemand buiten de boot valt, lijkt bevestigd. Neem een Toscaans dorpje met een ogenschijnlijk hecht Italiaans familieleven. De oudste generatie woont bij de kinderen in; ze blijken niettemin, of juist daarom, flink eenzaam. En dat terwijl de Finse oudere in Lapland, met zijn kinderen op drieduizend kilometer afstand, veel minder eenzaam is. Meer individualisering en minder eenzaamheid. Hoe kan dat?

Over de internationale vergelijkingen onder ouderen, op basis van grootschalig surveyonderzoek en interviews, publiceerde Jenny Gierveld in onder meer de Journal of Social and Personal Relationships en binnenkort in de Canadian Journal on Aging. Gierveld was als directeur (en blijft als honorary fellow) verbonden aan het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). Deze week heeft ze afscheid genomen van haar leerstoel aan de Amsterdamse Vrije Universiteit met een rede getiteld `Sociale integratie en sociale isolatie in een veranderende samenleving'.

Jenny Gierveld verricht als sociologe en demografe al bijna veertig jaar onderzoek naar eenzaamheid. Ze geniet internationale bekendheid als ontwerpster van de De Jong Gierveld Eenzaamheidsschaal, een instrument dat aan de hand van reacties op elf uitspraken eenzaamheid meet. Al sinds jaren werkt ze samen met collega's Theo van Tilburg en Pearl Dykstra.

eensgezindheid Over de voornaamste oorzaak van eenzaamheid bestaat onder wetenschappers eensgezindheid. Het ontberen van naasten met wie je emoties deelt is de primaire oorzaak van eenzaamheid. En een gevarieerd netwerk, met een mix van intieme relaties en afstandelijker sociale contacten, biedt de beste bescherming tegen eenzaamheid.

Eenzaamheid is vooral onderzocht als cognitief verschijnsel, als een in principe onzichtbaar fenomeen dat zich afspeelt in de hoofden van mensen. Je kunt immers alleen zijn en niet eenzaam en ook eenzaam maar niet alleen. Eenzaamheid kan bovendien ook iets positiefs zijn, een vorm van vrijwillige afzondering. Onder demografen is het besef diepgeworteld dat Noord-Europa een koppositie inneemt. De toekomst is daar al zichtbaar, met minder getrouwde paren en meer werkende vrouwen. Nederland, en zeker de Zuid-Europese landen, volgen, ook in eenzaamheidsbeleving.

Volgens de mentale incongruentietheorie, door Gierveld en collega's toegepast, beoordelen individuen hun situatie door hun realiteit aan de heersende norm af te meten. Komen norm en realiteit overeen, dan is er weinig aan de hand. Lopen ze uiteen, dan ervaart het individu een tekort en ontstaan bijvoorbeeld gevoelens van eenzaamheid.

De normen in Finland corresponderen met de realiteit. Jenny Gierveld: ``In Finland wonen ouders al snel ver weg van hun kinderen en verwachten geen wekelijks bezoek. Ze zijn blij als die kinderen komen.'' In Italië zijn de verwachtingen hooggespannen. Veel ouders en kinderen wonen onder één dak, maar uit onderzoek blijkt dat als ze meer geld zouden hebben, ze dat liever niet zouden doen. Italiaanse ouderen kunnen hun mentale incongruenties op drie wijzen oplossen: de standaard naar hun hand te zetten, de eigen situatie veranderen, of met stress doorleven. Geen van die opties is eenvoudig, hoewel de standaarden beslist niet zo halsstarrig zijn als gedacht. Gierveld: ``In de Nederlandse samenleving is het hebben van een intieme partner nog altijd de standaard. Maar die standaard wordt individueel beleefd. Voor een 75-jarige vrouw bijvoorbeeld die alleen komt te staan, haar man was 78 jaar oud, is het niet meteen zaak een nieuwe partner te zoeken. Het is op haar leeftijd geen zeldzame gebeurtenis.'' Gierveld noemt deze weduwe `on time', `'de meetlat verschilt per persoon.''

Het sociaal relativeren van de meetlat heeft nogal wat gevolgen. Er zijn meer interpretaties mogelijk dan die welke uitgaan van ideaaltypen, zoals het befaamde begrippenduo `Gemeinschaft' en `Gesellschaft' van Ferdinand Tönnies. Sinds eind negentiende eeuw verklaarden sociologen de overgang van rurale naar industriële samenleving met deze begrippen. Sindsdien heeft de opvatting postgevat dat industrialisering en modernisering koele en eenzame mensen voortbrengen. Kunstmatige arrangementen vervangen de homogene, op verwantschap en natuurlijk leven gebaseerde gemeenschap. Deze sombere interpretatie van het moderniseringsproces kent een eigentijdse verdediger in de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam. Ook hij sombert over de neergang van traditionele verbanden en de gevaren voor het individu.

GEEN HARD BEWIJS Volgens Jenny Gierveld is dat hele debat van Gemeinschaft versus Gesellschaft al in de jaren zestig van tafel geveegd. Sociaal-wetenschappers als Putnam leveren volgens haar geen enkel hard bewijs voor het verdwijnen van gemeenschappen. Cultuurpessimisten à la Tönnies en Putnam heb je altijd en ze doen, zoals Gierveld omschrijft, meer aan ``algemene beschouwingen dan aan fijnmazig empirisch onderzoek'' waar het gaat om de relaties tussen mensen.

Het empirisch onderzoek naar eenzaamheid is overigens net zo gevoelig voor mode als de filosoferende tak van de sociaal-wetenschappers gevoelig is voor ideologie. Neem de hypothese dat eenzaamheid zo ongeveer per etage hoogbouw zou toenemen. Voor het symposium ter gelegenheid van het afscheid van zijn collega presenteerde Jenny Giervelds VU-collega Theo van Tilburg een historisch overzicht van eenzaamheidsonderzoek. In de jaren zeventig waren vergelijkingen tussen mensen in hoogbouwflats en laagbouwwoningen gangbaar. De eenzaamheid zou zich concentreren in de hoogbouw, zo luidde de hypothese. Dat bleek niet zo te zijn.

Uit de mode was eenzaamheidsonderzoek in de jaren tachtig. Nu is er weer een opleving. Is het de verwondering dat we zo welvarend zijn, maar niet veel minder ongelukkig? Komt het door de vergrijzing? Of door de overdosis communicatiemogelijkheden? Uit het meest recente Britse en Amerikaanse onderzoek blijkt een soort Murphy-effect als het gaat om eenzaamheid: in de goede buurten gaat alles goed, ook het sociaal netwerk bloeit. In de slechte buurten is het slecht gesteld met de sociale netwerken.

In Nederland blijkt de kwaliteit van netwerken nauwelijks buurtgebonden. Geen gettovorming met buurten vol eenzamen. Recent onderzoek naar sociaal isolement van de Universiteit Utrecht liet een sterke tweedeling zien, met 64% van de volwassen bevolking in Nederland behorend tot de sociaal weerbaren; zij beschikken over een ruim netwerk en voelen zich niet eenzaam. Terwijl 6% weinig contacten heeft, dat wil zeggen wekelijks minder dan vijf contacten waar je op kunt bouwen, en eenzaam is. Dat zijn de sociaal geïsoleerden. Zij staan er bijvoorbeeld alleen voor als het gaat om simpele dingen als hulp in of rond het huis. Ze gaan noch op bezoek, noch ontvangen ze bezoek.

Eenzaamheid komt onder alle lagen van de bevolking voor. Wel leven sociaal geïsoleerden vooral in de stad, zo concluderen socioloog Roelof Hortulanus, filosofe Anja Machielse en sociaal-psychologe Ludwien Meeuwesen. De Utrechtse onderzoekers publiceerden afgelopen voorjaar het resultaat van zo'n tien jaar onderzoek onder de titel `Sociaal Isolement'. De Utrechtse onderzoekers zoomen in op de meest problematische vorm van eenzaamheid: sociaal isolement. Belangrijkste bronnen van bescherming tegen isolement zijn volgens de respondenten karakter en levenslust. Nadere analyses wijzen voorts vier individuele factoren aan die het sterkst bijdragen tot sociale weerbaarheid. Mensen zijn sociaal weerbaarder naarmate ze: persoonlijk competenter zijn; minder last hebben van depressieve gevoelens; minder negatieve persoonlijke gebeurtenissen hebben meegemaakt die hen nog steeds bezighouden en naarmate ze zich beter beschermd weten. Deze factoren bleken doorslaggevender dan meer maatschappelijke en demografische factoren als het al dan niet hebben van werk, gescheiden zijn en opleiding.

BUFFER Overwint optimisme dan werkloosheid, scheiding en lagere opleiding wanneer het gaat om sociaal isolement? Sociaal-psychologe Ludwien Meeuwesen: ``Persoonlijke competenties fungeren als buffer. Net zoals je vroeger hebt leren fietsen, moet je ook communicatieve vaardigheden meekrijgen.'' Verrassend vindt Meeuwesen de uitkomst dat 40% van de volwassen Nederlanders van zichzelf vindt niet over voldoende sociale vaardigheden te beschikken. ``Als iedereen één procent socialer of aardiger op het werk of in de buurt zou zijn, zag de wereld er heel anders uit.'' De sociaal-psychologe noemt het betrekkelijk eenvoudige `maatjes hebben' als een van de kleine oplossingen ervoor zorgen dat iemand een aanspreekpersoon heeft. Eenvoudig is sociaal isolement echter nooit op te lossen.

Naasten en ook wetenschappers zullen meestal indirect naar eenzaamheid moeten vragen. Het blijft een taboe. Jenny Gierveld ziet het simpele bewijs daarvoor in de gebeurtenissen in Frankrijk afgelopen zomer. Het grote onopgemerkte sterven. Een poos dood in huis liggen. ``Als je weduwen vraagt daarop te reageren, kunnen ze zich dat goed voorstellen, weduwnaren ook nog wel, maar gescheiden mensen beginnen over heel andere dingen te praten. En mannen vinden het dan nog veel moeilijker dan vrouwen. Eenzaam zijn is een soort falen dat niemand wil toegeven.''

    • Ellie Smolenaars