Een morele Derde Weg

Als het aan premier Balkenende ligt, krijgt heel Europa straks een normen- en waardenoffensief. Maar wat wil hij met Nederland? Terug in de tijd? Zijn goeroe is een Amerikaan, die ook gehoor vond bij Clinton en Blair. `De overheid moet iedereen oproepen om mee te doen.'

Jan Peter Balkenende is anders. Hij is niet als Lubbers, de CDA'er die tussen 1982 en 1994 als premier niets moest hebben van zendingsdrang. En hij is niet als Kok, die kort voordat hij in 1994 aan zijn achtjarig premierschap begon, zijn ideologische veren afschudde. Lubbers en Kok domineerden de Nederlandse politiek twintig jaar met pragmatisme. Met Balkenende is de premier weer een ideologische figuur geworden. Hij zet zijn veren op en pronkt ermee.

Toespraken van de premier in de Kamer en in het land zijn doorspekt met verwijzingen naar `eigen verantwoordelijkheid' en wat men behoort te doen. Begin november trok hij als een zendeling ten strijde tegen het ,,hellende vlak'' van satire over het koninklijk huis. De liberale vice-premiers Zalm (VVD) en De Graaf (D66) namen afstand, de Tweede Kamer debatteerde – op luchtige toon – en in het publieke debat heerste kortstondige verontwaardiging over de `zedenmeesterij' van de premier.

Premier Balkenende verklaarde dat hij er de man niet naar is om zaken op hun beloop te laten. Hij voerde als CDA-leider verkiezingscampagne met de slogan `fatsoen moet je doen'. En als nieuwe premier begon hij vorig jaar onmiddellijk een normen- en waardenoffensief. Hij liet zich toen niet afleiden door het wanordelijke optreden van de LPF-ministers in zijn coalitie. En nu trekt hij zich niets aan van liberale coalitiegenoten die het hebben over ,,Jan Peters eigen hobbyhoek''. VVD-leider Zalm schamperde vorig jaar als Kamerlid over de `tegeltjeswijsheden' van de premier – nu is hij er als vice-premier mede verantwoordelijk voor. Maandag presenteert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een rapport over het onderwerp. En als Nederland volgend jaar voorzitter van de Europese Unie is, krijgt heel Europa een normen- en waardendebat, zo is het plan van de premier.

In het kabinet heeft Balkenende geestverwanten als de ministers De Geus (Sociale Zaken) en Veerman (Landbouw). En vooral minister Donner van Justitie, de ideologische peetoom van de premier, die er ook publiekelijk vaak nog een schepje bovenop doet, met geladen beschouwingen over de normerende functie van de rechtsstaat en de kwetsbaarheid van het staatsbestel voor het verval der zeden.

Met Balkenende is een lichting politici aan de macht met een moreel appèl. Hoe is dat appèl het beste te definiëren? Is het rechts, is Balkenende een conservatief en wil hij terug in de tijd? Waar wil hij naartoe? En hoe belangrijk is de ideologie van Balkenende voor de politieke keuzes van het CDA?

Opportunisme

Het is 1 mei 2002, Jan Peter Balkenende is sinds zeven maanden politiek leider van het CDA. Als lijsttrekker staat hij aan de vooravond van zijn eerste Tweede-Kamerverkiezingen. In het Haagse etablissement Pulchri presenteert Balkenende het boekje Anders en Beter, een bundeling van vijf lezingen waarin hij uitlegt hoe het CDA de ,,wederopbouw'' van Nederland na Paars ter hand zal nemen. Hij overdrijft uit opportunisme, reageren PvdA en VVD – het is anderhalve maand nadat Pim Fortuyn De Puinhopen van Paars publiceerde.

Maar Balkenende maakt in Anders en Beter een eigen analyse van Paars. Het beleid van de kabinetten-Kok kwam neer op een platte uitruil tussen marktdenken en staatsdenken, vindt hij. De liberalen kregen meer marktwerking, de sociaal-democraten mochten de verzorgingsstaat overeind houden. Maar Paars slaagde er niet in een eigen visie te ontwikkelen op de belangrijkste problemen voor de samenleving, zoals onderwijs en zorg.

Balkenende plaatste het CDA tegenóver Paars als de partij van het `gemeenschapsdenken'. Hij legt uit wat het CDA anders wil doen: meer initiatief aan de samenleving laten, oog hebben voor de morele dimensie van de maatschappij, nadruk leggen op het gezin en op de samenbindende nationale cultuur. ,,De morele kant van maatschappelijke vraagstukken moet weer volop op de agenda komen te staan'', schrijft Balkenende.

Wie de wereld van Balkenende wil begrijpen, moet nog verder terug in de tijd, naar woensdag 8 november 1995. In perscentrum Nieuwspoort presenteert het CDA die dag het rapport Nieuwe Wegen, Vaste Waarden. Het is opgesteld door een `strategisch beraad', een gezelschap CDA'ers onder leiding van oud-Eurocommissaris Frans Andriessen. Prominente leden zijn voormalig minister van Justitie Hirsch Ballin, de huidige SER-voorzitter Herman Wijffels en de huidige minister van Justitie Donner (toen voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid). Secretaris en bindende factor is Jan Peter Balkenende, dan hoogleraar christelijk sociaal denken aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en medewerker van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Onder de adviseurs zijn Ben Bot, sinds deze week minister van Buitenlandse Zaken, en Ab Klink, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA.

In het rapport staat te lezen waarop CDA zich tot ná 2000 vooral zou moeten richten. Op één staat: overdracht van waarden. Op twee: veiligheid. Op drie: meedoen in de samenleving. Op vier: het ,,doorgeven van de samenleving aan latere generaties''.

Ziehier het ideologische programma van premier Balkenende. Als je met `zoek en vervang' de data wijzigt, weet je wat hij nu wil. Maar wat destijds vooral de aandacht trok, was het standpunt over het wettelijk minimumloon. Het CDA wilde dat loslaten. Werkgevers en vakbonden moest daar zelf maar over onderhandelen. De overheid zou desnoods een aanvulling geven tot een gegarandeerd `sociaal minimum'.

Interessant is een gezamenlijk opinieartikel in Trouw in 1995 van commissievoorzitter Andriessen en secretaris Balkenende. Daarin reageren zij op de kritiek dat het CDA zijn sociale gezicht zou verwaarlozen. Hun uitleg is anders. Sociaal betekent niet langer: vasthouden aan het stelsel van sociale zekerheid, hoogte en duur van de uitkeringen en de koppeling tussen lonen en uitkeringen. Om een `vaste waarde' als solidariteit te bewaren, moeten `nieuwe wegen' worden gezocht om de verzorgingsstaat in de toekomst te kunnen blijven betalen, redeneerden zij. Volgens Andriessen en Balkenende is sociaal beleid: denken aan de toekomst. De overheid moet ervoor zorgen dat zoveel mogelijk mensen werk hebben om in de toekomst de kosten van sociale voorzieningen te kunnen betalen. En zij moet bezuinigen om straks een financieringstekort te voorkomen.

Het is Balkenende II in een notendop. Het zijn bijna letterlijk formuleringen die Balkenende nu als premier gebruikt om de bezuinigingen te rechtvaardigen. Zijn bottom-line bij de algemene politieke beschouwingen dit najaar was dat het kabinet beleid wil voeren ,,dat voor de toekomst goed is, ook al zijn er nadelen op de korte termijn''. Kortom: het CDA offert in de ogen van Balkenende niet zijn sociale gezicht op door hard te bezuinigen, het is er onder hem anders over gaan denken wat sociaal is: niet een evenredige inkomensverdeling, maar verplicht `meedoen' in de samenleving.

Herbronning

Aanleiding voor het ideologische zelfonderzoek van het CDA in 1995 was het grote verlies bij de Kamerverkiezingen van 1994. Het CDA ging van 54 naar 34 zetels. Maar het voorwerk voor deze `herbronning' was eerder gedaan. Door Balkenende en Klink. Naar het voorbeeld van de antirevolutionaire aartsvader Abraham Kuyper waren zij al jaren bezig met het opnieuw doordenken van de verhoudingen tussen staat, markt en samenleving. Klink schreef een dissertatie over de verhouding tussen christen-democratie en overheid (1991) en Balkenende over overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties (1992). Daarin stelde hij vast dat de overheid het streven naar `deregulering' nooit heeft weten waar te maken vanwege een tekort aan vertrouwen in het zelfregulerende vermogen van mensen en sociale organisaties. Hij heeft het over zorg, onderwijs, omroepen, maar ook over technologische innovatie.

Als hoogleraar christelijk sociaal denken verzette Balkenende zich tegen `linkse' noties over gespreide verantwoordelijkheid binnen het CDA. Het geven van steeds meer subsidie aan maatschappelijke organisaties zou hebben geleid tot `verstatelijking' van het middenveld, van omroepen tot sportverenigingen. Christen-democraten moesten sociale rechtvaardigheid volgens Balkenende niet opvatten als een verdelingsvraagstuk, zoals sociaal-democraten. De overheid moet er niet voor zorgen dat iedereen hetzelfde krijgt. De overheid moet iedereen oproepen om `mee te doen'. Eigen verantwoordelijkheid nam de plaats in van gespreide verantwoordelijkheid.

Het is weer een spoor dat direct leidt naar het kabinet-Balkenende. Zie bijvoorbeeld deze week. De Kamer vroeg minster De Geus van Sociale Zaken meer geld ter beschikking te stellen voor chronisch zieken. Dat kon niet, zei de bewindsman. Hij bood aan een rekening te openen waarop de rijken de armen kunnen steunen – vrijwillig. In de woorden van De Geus klonk de ideoloog Balkenende door. Mensen moeten solidariteit tonen, desnoods onder dwang. Ook het hakken in subsidies voor het traditionele maatschappelijke middenveld past daarom bij het nieuwe CDA.

Is Balkenende daarmee een conservatief? En welke kant stuurt hij het CDA op?

CDA-senator Alfons Dölle schreef deze zomer in het kwartaalblad van het Wetenschappelijk Instituut dat het CDA zich voortaan `sociaal-conservatief' moet noemen. Hij kreeg zowel bijval als kritiek. Balkenende reageerde op een partijbijeenkomst: het CDA is niet conservatief, alleen `waardevast'.

,,Jan Peter weet best dat hij een conservatief is'', zegt Bart-Jan Spruyt. ,,Maar als machtspoliticus denkt hij dat het niet zo handig is om zich zo te profileren.'' Spruyt is directeur van de Burkestichting, de denktank van voornamelijk CDA'ers en VVD'ers, die vorige maand een Conservatief Manifest publiceerde. Daarin staat dat alleen nadruk op traditie, op instituties als gezin, overheid, scholen en een moreel kader de crisis van Nederland nog ten goede kunnen keren. Het zijn de punten waarop ook Balkenende telkens hamert. ,,Hij was heel erg geïnteresseerd in ons'', zegt Spruyt. ,,Maar toen hij eind 2001 partijleider werd en later premier, werd hij ontoegankelijk.''

Maar belangrijker dan het etiket dat je op de partij plakt, is de vraag: waar staat het CDA onder leiding van Balkenende? Bij de presentatie van Anders en Beter in 2002 wilde Balkenende zich nog niet uitspreken voor een coalitie met PvdA of VVD. Maar hij legde wel op ideologische gronden uit waar hij mogelijkheden tot samenwerking zag: eerder met sociaal-democraten dan met liberalen. PvdA'ers verwachtten in zijn ogen te veel van de staat, maar ze dachten tenminste na over ordening en samenhang in de samenleving. Bij de liberalen had hij daarvan al jaren niets meer gemerkt – bij hen heerste het marktdenken alleen.

Er is nog een reden om Balkenende niet zonder meer in het rechtse kamp te zetten: Amitai Etzioni. Deze Amerikaanse socioloog en voortrekker van gemeenschapsdenken is een belangrijke inspiratiebron voor de premier. Volgens sommige CDA'ers is het zelfs zijn goeroe. Etzioni pleit ook voor herstel van normen en waarden, voor een betere balans tussen rechten en plichten, en voor een herwaardering van het gezin. Maar Etzioni is niet rechts, hij geldt zelfs als progressief. Derde Weg-regeringsleiders als Clinton en Blair lieten zich door hem adviseren en inspireren. Toen Balkenende dit najaar in Washington was voor een bezoek aan president Bush, wipte hij ook even langs bij Etzioni.

Gemeenschapszin

In de geest van Etzioni ontwikkelde het CDA eind jaren '90 hervormingsplannen voor bijvoorbeeld de zorg en de sociale zekerheid. De overheid moest niet langer het aanbod bepalen. Mensen behoren zelf te kiezen. Maar de overheid moet wel de scherpe kantjes van de markt af halen, bijvoorbeeld met fiscale compensatie voor gezinnen. Of met een levensloopregeling, die burgers de keuze laat wanneer ze er een jaartje tussenuit gaan.

Voor het CDA was de vraag: met wie kunnen we deze plannen het beste realiseren? De PvdA heeft zich in de ogen van Balkenende het afgelopen jaar ideologisch gediskwalificeerd. In de mislukte kabinetsformatie met de PvdA dit voorjaar toonde PvdA-leider Bos zich in de ogen van de CDA-onderhandelaars Balkenende, Verhagen en Wijn maar weinig gevoelig voor het CDA-streven collectieve verantwoordelijk om te bouwen tot `eigen verantwoordelijkheid' van de burger. De PvdA van Wouter Bos bleek juist bezig met een herontdekking van de staat. CDA-onderhandelaars konden regelmatig klagend worden aangetroffen als Bos ,,weer eens'' privatisering wilde terugdraaien, gesubsidieerde arbeid wilde behouden of van rijkswege wilde aanwijzen waar gemeenten wel en niet mochten bouwen. Dat contrasteerde met de goede ervaringen die Balkenende en het CDA in 2002 hadden opgedaan met de VVD, na de verkiezingsnederlaag van de PvdA. Na de verkiezingen in 2003 kreeg die keuze nu een ideologisch fundament. Het liberale streven naar een zich terugtrekkende overheid, zo heet het nu in CDA-kringen, gaat beter samen met de ideologische heroriëntatie op de samenleving die het CDA in de regering wil doorvoeren dan het `staatsdenken' van de PvdA.

Met het terugtrekken van de staat wil het lukken, met dank aan de liberalen. Middelbare scholen krijgen meer vrijheid om hun eigen lesprogramma in te richten, de basisvorming is afgeschaft. Privé-klinieken krijgen meer ruimte. En een stad die aankondigt `kansarme nieuwkomers' te willen weren, wordt positief bejegend door de regeringsfracties in de Kamer.

Maar waar is de gemeenschapszin? Een oproep is maar een oproep. Hoe voorkom je dat het uiteindelijk gewoon ,,iedereen voor zich, en God voor ons allen'' is? Hier komt Balkenendes kruistocht voor normen en waarden in zicht.

Volgens zijn goede vriend Ab Klink moet Balkenende hiermee de geschiedenis in gaan. Hij is degene die moreel leiderschap moet tonen. Hij is een Hoffnungsträger, zegt de directeur van het Wetenschappelijk Instituut. Maar het CDA is nog erg op zoek met welke ideeën de samenhang moet worden versterkt.

Helemaal niks

Als voorbeeld neemt Klink, ook Eerste-Kamerlid, het denken over integratie van (islamitische) immigranten. Onder zijn leiding publiceerde het Wetenschappelijk Instituut begin dit jaar daarover een rapport, waarin wordt gesteld dat het nationale verleden een grotere rol moet spelen bij de integratie van immigranten. Een van de voorstellen in het rapport is het benadrukken van het belang van Koninginnedag als nationale feestdag, waaraan ook deelname van immigranten moet worden gestimuleerd. Klink: ,,Bij Koninginnedag viert de natie haar eenheid.'' Zo'n feestdag is inderdaad een ,,identiteitsvormend moment'', meent Klink – en om de samenhang in de samenleving te bevorderen, zouden meer nationale sleutelmomenten wat hem betreft gevierd moeten worden, zoals Bevrijdingsdag, de herdenking van de Unie van Utrecht en de Acte van Verlatinghe. Volgens Klink zijn dit soort ideeën niet conservatief. Het CDA denkt niet uit behoudzucht na over de natie en het christelijke erfgoed, maar uit idealisme. ,,Mij gaat het niet om de natie om zichzelf'', zegt Klink ,,nationalisme is een vorm van romantiek die mij volkomen vreemd is.'' Wat hem betreft is het verleden van de natie voor de christen-democratische ideologie vooral van belang voor de democratische waarden van de rechtsstaat die in het verleden van de natie besloten liggen. Dat zou er uiteindelijk zelfs toe kunnen leiden dat de christen-democraten de natie opgeven, zegt Klink, ten gunste van een Europese Unie als sterke waardengemeenschap en rechtsstaat.

Nog verder terug in de tijd. Zomer 1975. De verse fusiepartij CDA heeft haar eerste partijcongres. De allereerste fractieleider in de Kamer, de antirevolutionair Willem Aantjes, grijpt de gelegenheid aan voor wat bekend zal worden als zijn Bergrede. Hij keert zich tegen een toekomst van het CDA als waterige middenpartij, zonder duidelijke ideologische missie. Aantjes pleit voor een progressieve christelijke beginselpolitiek, ,,die een weg baant voor wie geen voeten hebben''.

Een paar maanden later volgt Lubbers Aantjes op als fractieleider en breekt het tijdperk der pragmatici aan. Balkenende heeft zich nooit laten kennen als een Aantjes-adept. In zijn lijstje bewonderde personen figureert wel een andere ARP-leider, Jelle Zijlstra – geen evangelisch radicaal, maar al in de jaren '50 bekend als aanhanger van een `modern christelijk staatsmanschap' en in de jaren '60 als premier in de ogen van de christelijk-sociale AR-vleugel een pragmatische technocraat.

Als Balkenende nu de premier is van het ideologisch appèl, komt hij dan 25 jaar na de Bergrede eindelijk tegemoet aan Aantjes' roep om bevlogenheid? Nee, zegt de inmiddels 80-jarige CDA'er aan de telefoon. ,,De christen-democratische ideologie moet spreken uit het beleid, niet uit prachtige woorden over normen en waarden. Dat appelleren aan het fatsoengevoel – op zich heel goed, hoor – maar waarom zijn dit nu beleidsdaden waar christen-democraten van harte achter kunnen staan? Het blijft steken in het proclameren van termen. Dat is niet conservatief of progressief, dat is helemaal niks.''

Aantjes kan zijn teleurstelling over het CDA onder Balkenende niet onderdrukken. Hij had bij zijn aantreden groot vertrouwen in hem. Balkenende had als hoogleraar christelijk sociaal denken ,,alles in zich voor een duidelijk ideologisch profiel'', meent Aantjes. Maar om dat waar te maken, had hij in de Kamer moeten blijven en geen premier moeten worden. Nu dreigt het CDA ,,min of meer ongemerkt een conservatieve partij te worden'' en ,,Jan Peter Balkenende is daar de verpersoonlijking van''. Door de verkiezingsstrijd in te gaan voor een meerderheidscoalitie over rechts met de VVD en deze ook nog uit te voeren, terwijl de kiezer dat niet gehonoreerd heeft, heeft het CDA een ,,structurele keuze gemaakt'', aldus Aantjes. Volgens hem sluiten tal van mensen zich bij het CDA aan in de veronderstelling dat ze bij een conservatieve beweging gaan. ,,Dat is niet meer zomaar om te keren.''