De vergeten museumstad van Albanië

In Berat scharrelen kippen en eenden tussen monumentale panden en historische ruïnes. De Albanese vestingstad verdient beter, vindt Robert Slagt.

De beheerder van het Onufri Museum in Berat, een vrouw van in de vijftig, kijkt ons mistroostig aan. Hoeveel bezoekers hier vorig jaar kwamen? Even denkt ze na: 500 mensen. Anderhalve man per dag. En daaronder waren twee bussen met Nederlanders, die vanaf Corfu een dagtocht naar Albanië maakten. ,,Dit jaar hebben we nog twee Japanse groepen gehad. Nee meneer, vóór 1991, toen kwamen hier veel buitenlandse toeristen. Nu niet meer.''

Voor 1991, dat waren de jaren dat Albanië nog in de greep was van de marxistische dictatuur van Enver Hoxha. Ondanks het politieke isolement van het land wisten toen regelmatig groepen toeristen de weg te vinden naar de Ottomaanse citadel, die ongeveer 100 kilometer zuidelijk van Tirana ligt. Het buitenlands bezoek werd ook van hogerhand aangemoedigd; Enver Hoxha verklaarde Berat in 1961 officieel tot `museumstad' van Albanië.

BESNEEUWDE BERGTOPPEN

Die titel was niet slecht gekozen, want wie door de stadspoort wandelt, loopt regelrecht de late middeleeuwen binnen. De citadel van Berat is gebouwd op een rots die hoog uittorent boven de vallei van de rivier de Osum. In het oosten liggen de besneeuwde toppen van de berg Tomori, aan de westkant van de stad is een lage bergrug, de Shpiragu. De twee bergen waren volgens een legende broers, die verliefd werden op hetzelfde meisje: de rots van Berat. Ze sloegen elkaar met messen en knotsen, waarna ze versteenden tot hun huidige vorm. Het verdrietige mooie meisje weende bittere tranen; die vormden de rivier de Osum.

Op de plaats van de vesting was in de derde eeuw voor Christus al een Griekse nederzetting, maar Berat kreeg vooral betekenis na de dertiende eeuw, toen onder Byzantijns gezag de huidige citadel werd gebouwd. Na de komst van de Ottomanen, in 1540, werden de stadsmuren diverse malen versterkt. De stad werd herhaaldelijk belegerd, maar bleek onneembaar. In het oude Turkse fort is nog steeds een middeleeuws waterreservoir. Zo konden duizenden vestingbewoners een lang beleg doorstaan.

Binnen de stadswallen staan nog zo'n honderdvijftig Ottomaanse huizen. Doordat ze dicht opeen zijn gepakt kunnen auto's, en vooral de in Albanië populaire Mercedes, hier moeilijk manoeuvreren. Tussen de monumentale panden en ruïnes van moskeeën en kerken scharrelen kippen en eenden rond. In West-Europa zou je hier vooral kapitaalkrachtige cultuurliefhebbers treffen, maar in Berat ligt dat anders. ,,Veel vestingbewoners zouden liever naar de moderne benedenstad verhuizen'', vertelt Zylyftar Plaku, hoofdredacteur van de lokale krant Gazeta Tomori. ,,Ze mogen hun woning niet moderniseren omdat het monumenten zijn. Veel woningen staan te koop. Een klassieke Ottomaanse woning van twee verdiepingen kost hier 10.000 dollar.''

BEELDENSTORM

In de vesting staan nog zeven orthodoxe kerken uit de 13e tot 16e eeuw; de periode voor de Turkse overheersing. Ooit waren dat er meer dan 30. Veel kerken werden onder de Ottomanen afgebroken. In 1967 kwam een tweede beeldenstorm, toen dictator Hoxha Albanië uitriep tot de eerste atheïstische staat in de wereld. In het hele land werden honderden gebedshuizen vernield of beschadigd. In een van de orthodoxe kapelletjes, de Kisha Shen Villaherna, van de Wallachijse (Roemeense) gemeenschap, zijn bij sommige fresco's de ogen van heiligen uitgestoken.

De huidige regering lijkt iets van de schade te willen repareren, want op de kapelletjes zijn recent bordjes opgehangen met informatie in het Albanees en Engels. In de heilige Maria-kerk, uit 1797, waarin het Onufri Museum is gehuisvest, is apparatuur voor klimaatbeheersing aangebracht. Het is een klein, maar indrukwekkend museum met meer dan honderd iconen, waarvan het werk van Onufri Qiprioti het meest opvalt. De 16-eeuwse meester is befaamd om zijn karakteristieke felrode kleuren. Onufri was de eerste Albanese schilder die de Europese Renaissancestijl volgde, waarin de afbeelding van heiligen een meer persoonlijke uitstraling kreeg.

Achter het altaarstuk in de Maria-kerk werd eind jaren '60 een bijzondere vondst gedaan: onder de tegelvloer werden twee beroemde evangelische manuscripten gevonden: de Codex Purpureus Beratinus (3e eeuw) en de Codex Aureo Aureua Anthimi (9e eeuw). Lokale priesters hadden eeuwenlang de precieze bewaarplaats geheim gehouden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zochten de Nazi's tevergeefs naar de met goud versierde codices. Maar onder dwang van Hoxha werd in 1968 het geheim prijsgegeven. Omdat veel bladzijden aan elkaar kleefden werden de oude boekwerken voor restauratie overgebracht naar China – waar Hoxha toen goede relaties mee onderhield. Daarna werden ze ondergebracht in het Staatsarchief in Tirana.

PERSOONSVERHEERLIJKING

De invloed van de dictator was zo alomvattend, dat hij in Berat ook op de omliggende natuur zijn stempel drukte. Bij helder weer zijn op de berg Shpiragu duidelijk de reuzenletters ENVER te onderscheiden. Een lokale bestuurder dacht hiermee in 1968 een wit voetje te halen bij de Hoxha, die de stad zou bezoeken. Honderden mensen werden ingezet om in enkele maanden marmer voor de letters, ieder zeventig bij dertig meter, de hellingen op te slepen. Er werd speciaal zuur uitgestrooid om de groei van onkruid te voorkomen. De dictator was overigens niet blij met de `verrassing', omdat hij de persoonsverheerlijking rondom hemzelf toen juist wilde inperken.

In 1991 werd geprobeerd om het gehate vijfletterwoord aan het zicht te onttrekken. Er werden explosieven gebruikt, waarbij twee mensen omkwamen. ENVER werd uiteindelijk zelfs met napalm gebombardeerd. De stenen sloegen daardoor wel bruiner uit, maar de letters bleven toch zichtbaar.

Na het wegvallen van het staatstoerisme nam het aantal bezoekers aan Berat al af, maar Albanië's museumstad kreeg de hardste klappen in 1997, toen de piramidespelen instortten. Honderdduizenden Albanezen hadden hun spaargeld geïnvesteerd in deze `kettingbrieven' en waren in een klap geruïneerd. Er volgden maanden van geweld en wetteloosheid, vooral in Berat. ,,Tussen maart en september 1997 vielen hier 450 doden,'' vertelt journalist Plaku. Allerlei criminele groepen gingen elkaar te lijf of persten anderen af. Niemand was veilig. Elke dag werden er op straat mensen neergeschoten.'' Veel Albanese burgers plunderden de wapenopslagplaatsen die onder Hoxha waren gebouwd om zichzelf te verdedigen.

Nu herinnert alleen het uitgebrande staatsrestaurant in de citadel nog aan het geweld van 1997. In de straten van de benedenstad is het rustig; in de cafés's drinken mannen koffie, op straat staan verkopers met kranten, sigaretten en olijven. In de vooravond komt de stad tot leven en flaneert jong en oud langs de `duizend ramen' van de wijk Mangalem; tientallen vensters van de opeengepakte Ottomaanse huizen die tegen de rots zijn geplakt.

Berat bloeide onder de Turken, die de stad in de achttiende eeuw zelfs tot Albanese hoofdstad maakten. Maar die gloriedagen zijn voorbij. Naast het huis van de pasja staat de moskee, die dienst doet als souvenirwinkel. Er zijn alleen geen klanten. In de weekends komt soms personeel van West-Europese ambassades op bezoek, maar verder is het stil. Het is typerend voor het Berat van 2003; een mooie, maar vergeten vestingstad, die wacht op waardering.

    • Robert Slagt