De droom van de hoofdredacteur

Het NOS-journaal is een Instituut. Maar sinds de moord op Fortuyn zoekt men naar nieuwe wegen om het contact met de kijker te herstellen. De staat en de straat is het adagium van de hoofdredactie. Maar de redactie is verdeeld.

'Worden we de Kinderboerderij der Lage Landen?'

Dames en heren! Met alle respect! Maar u verwaarloost het hoor en wederhoor. U bent allesbehalve alert. En u haalt feiten en opinies stelselmatig door elkaar.

Aldus Hans Laroes, de hoofdredacteur van het nos-journaal, een jaar geleden tot zijn verslaggevers en bureauredacteuren.

Waarde collega's! Wees eerlijk! Wij maken geen televisie, we maken radio. We komen nauwelijks de straat op. En we beheersen het journalistieke handwerk bepaald onvoldoende.

Aldus de redactiecommissie van het Journaal die de geachte collega's, onlangs in jaarvergadering bijeen, haar zelfkritiek in de vorm van prikkelstellingen onder de neus wreef.

Tegelijk, en dat vond ik het meest verbazingwekkende in de weken dat ik bij het nos-journaal te gast was, vinden de daar werkzame journalisten, hun hoofdredacteur en hun redactiecommissie incluis, dat ze de beste en de betrouwbaarste nieuwsbron van Nederland zijn. Als je het journaal gezien hebt, zo is de tamelijk algemeen gedeelde mening, dan hoef je om bij te blijven eigenlijk niet meer naar de rest te kijken.

Waarom?

Waarom vertelde menige journaalredacteur vol trots dat er bij hem als het ware een koninklijk kroontje op de camera en op de microfoon staat? En waarom kon dezelfde redacteur in de volgende zin beweren dat het vaak huilen met de pet op was als je naar het gefilmde en gebandrecorderde resultaat keek?

Journaalredacteuren vinden hun programma het beste. Maar ze vinden zichzelf niet goed. Hoe kan dat?

'Het journaal is een kundige tv-productieonderneming. Onze kracht zit niet in de mooie dingen die wij maken of in de mensen van excellence. Opvallende verschijningen die het verschil maken, lopen er bij ons niet rond. De journalistiek is redelijk secundair bij het journaal. Toen ik hier een tijdje rondliep, vroeg ik het me af: waar zijn hier eigenlijk de journalisten?'

Lex Runderkamp, chef research.

Op een ochtend in het dan nog stralende najaar bel ik Hans Laroes op, de hoofdredacteur van het journaal. Geen punt, zegt hij nog voor ik ben uitgesproken. We hebben niets te verbergen. Je bent welkom. Wanneer kom je?

Een paar dagen later schuif ik ter kennismaking aan bij de vergadering die de journaalredacteuren elke dag na het nieuws van 13.00 uur bijeenbrengt.

'Waarom het journaal?', vraagt een redacteur als ik mijn plan uiteengezet heb.

'Omdat het een Instituut is.'

'Wat vind je van ons?'

'Nog niks.'

'Je hebt nieuwe schoenen aan', zegt Marga van Praag, sterverslaggever. Ze heeft onder tafel gekeken en gezien dat ze knellen.

'Verder nog vragen?', vraagt de hoofdredacteur. 'Nee? Dan gaan we nu over tot...'

En zo mag ik enkele dagen later, op een mooie herfstmaandagmorgen tegen half negen, aan de Centrale Nieuwstafel naast Bernadette Slotboom plaatsnemen, de adjunct-hoofdredacteur wier beurt het die dag is om de nieuwsstroom in de gaten te houden.

'Wij zijn een waan-van-de-dag-programma, daar moet je realist in zijn. Mensen die zelf nieuws maken of met een primeur komen, daar hebben wij er weinig van. De prioriteit ligt bij de uitzending. Die moet vol. Wij zijn geen voorlopers. Als er dingen in de maatschappij veranderen, komen wij daar vrij laat achter.'

Diederik Bonarius, chef binnenland.

Erg makkelijk is het niet om de burelen van de journaalredactie te bereiken. Ten minste drie keer moet ik een magneetkaartje door een gleuf halen van poortjes die er volkomen op berekend zijn om elke ongewenste vreemdeling buiten te houden, behalve de kwaadwillende.

De redacteuren hokken op vier hoog in een betonnen kantoortuin. Als je naar buiten kijkt, zie je de bosrijke omgeving van het Mediapark, omsloten door een meer dan manshoog ijzeren hek. De belangrijkste nieuwsbron van Nederland is ondoordringbaar afgescheiden van het land waarin dat nieuws zich afspeelt.

Binnen de kantoortuin lijkt het vaak of de aanwezigen geen programmamakers zijn maar bezoldigde leden van een debatvereniging. De hele dag door vergaderen ze, meestal rond een grote zeshoekige tafel.

Om elf uur schuif ik bij de eerste aan.

'Een Iraanse heeft de Nobelprijs voor de vrede!'

'Wie?'

'Eh, een vrouw.'

'Ik bedoel, wie vragen we om commentaar?'

'Die vreselijke Ellian. Ik heb niemand anders.'

'Het stíkt hier van de Iraniërs.'

'Kader Abdollah, om maar iemand te noemen.'

'Kan Thomas niet iets doen?'

'Die kent haar niet.'

'So what?'

'Prachtig! Een correspondent die haar niet kent vanuit Kairo laten uitleggen wie ze is!'

Kwart over één, de volgende vergadering.

'We kunnen Ellian vragen.'

De rest van het gesprek herhaalt zich bijna woordelijk.

Chinees op camera

Zo gaat het de hele dag. Je hebt de eindredacteurenvergadering, de productievergadering, de vormgevingsvergadering, de plenaire redactievergadering, de planningsvergadering, de Zes uur-vergadering, de Acht uur-vergadering, de evaluatievergadering ná het Acht uur journaal, de laatvergadering en dan vergeet ik er vast nog een paar.

Tijdens een vroege chefsen eindredacteurenvergadering hoorde ik Lex Runderkamp zeggen: 'Ik heb een Chinees op camera!'

'Geweldig!', riep een dienstdoende eindredacteur: 'Daar zijn er maar een miljard van!' Om dat antwoord werd die dag, ook als Lex er niet bij was, tijdens vijf verschillende vergaderingen vijf keer smakelijk gelachen.

'Je komt hier nieuw binnen en je denkt, prachtig, het nos-journaal! Daar kijk je tegen op. Al gauw zie je dat elke uitzending in feite van toeval aan elkaar hangt. Het is allemaal veel amateuristischer dan ik dacht. Ik verwachtte een nieuwsrubriek, foutloos, geweldig, geen speld tussen te krijgen. Het is vooral lopendebandwerk. Echte journalistiek, daar doen wij niet aan. We hebben geen scherpe neus voor nieuws.'

Eelco Bosch van Rosenthal, plaatsvervangend chef buitenland.

Die maandagmorgen leidt Bernadette Slotboom, adjunct-hoofdredacteur, om half tien de eerste, dan nog telefonische, vergadering waaraan ook de eindredacteuren en de chefs deelnemen. 'Ik doe kleuterwerk', zegt ze in afwachting daarvan. Ze neemt de telefoon ter hand, ze belt naar haar collega's en ze zet de speaker aan, zodat ik kan meeluisteren.

Lang hoef ik niet te wachten, voordat ik de eerste geluiden opvang van wat de journaalredacteuren emotioneert en verdeeld houdt: de straat. En de vraag of het nieuws daarop ligt.

Het had, zou ik later merken, over alles kunnen gaan. Het gaat in dit geval om de commissie-Blok, de parlementsleden die onderzoek doen naar het integratiebeleid. Ze gaan vandaag naar Amsterdam om daar hun verhoren voort te zetten. Bernadette zelf en Edith Janmaat, plaatsvervangend chef binnenland, vinden het een prachtige gelegenheid om in Amsterdam met de camera de straat op te gaan teneinde aldaar de stand van de integratie rechtstreeks onder het volk te registreren.

Dat vertelt Bernadette door de telefoon aan Rob Koster, bij afwezigheid van Job Frieszo chef Den Haag.

Rob Koster: 'Zie ik niks in! Interesseert van Delfzijl tot Maastricht geen mens wat die commissie doet!'

Bernadette: 'Nou, mij wel.'

Rob: 'Ik heb een totaal andere perceptie. Maar als je anders beslist, hoor ik het wel.'

Bernadette: 'Ja. Je klinkt verschrikkelijk enthousiast.'

Niet veel later, volgende vergadering, zelfde deelnemers. Nu rond de ovale tafel. Rob Koster luistert op afstand mee.

Er bestaat onduidelijkheid, zegt een eindredacteur, over de commissie-Blok.

'Nee', zegt Rob Koster. 'Daar is helemaal geen onduidelijkheid over. Dat doen we niet.'

Edith Janmaat, plaatsvervangend chef binnenland, zegt dat ze het heel erg vindt. Het journaal wil toch vaker de straat op! De staat met de straat verbinden, dat is het nieuwe adagium.

Rob Koster: 'Ik vind het onzin.'

Uiteindelijk gaat er toch een Haagse verslaggever naar Amsterdam. Maar hij gaat niet 'de straat op'. Zijn verslag komt uit de raadzaal.

Ik vraag Edith en Bernadette wat hij op straat had moeten doen.

'Nou gewoon. De straat op gaan.'

'De staat en de straat, die terminologie komt me mijn neus uit. Uitgewoonde zinsnede. Van het hoofdkantoor moet de Haagse redactie Den Haag uit! Terwijl, we weten nauwelijks nog wat hier speelt. Aan het journalistieke werk, het feiten verzamelen, komen we niet meer toe. Geen tijd voor. De kennis die we twee jaar geleden nog hadden zijn we kwijt. Twee jaar lang hebben we de stront van het Binnenhof op moeten rapen. Nu wordt er weer geregeerd, de hele dag wordt er beleid uitgespuugd. Daar moeten wij achteraan, dat is onze taak. Daarover moeten we onze kennis uitbreiden. We moeten helemaal opnieuw beginnen met ons handwerk. Wat gebeurt er en waar zit het lek dat het ons vertelt?'

Rob Koster, plaatsvervangend chef den Haag.

'Ik heb een droom', zegt hoofdredacteur Hans Laroes als ik hem er op zijn werkkamer naar vraag. 'Hoe het journaal er over twee of drie jaar uit moet zien. Ik wil met het journaal niet alleen het geëigende nieuws brengen, het nieuws van de officiële agenda's. Ik wil met het journaal ook laten zien hoe de Nederlandse samenleving functioneert. En niet functioneert.'

Zijn denkbeelden daaromtrent heeft Laroes een jaar geleden op papier gezet. Het komt er, heel in het kort, op neer dat zijn journaal voor circa 80 procent gevuld moet blijven met het nieuws dat er nu eenmaal in moet. Voor de overige 20 procent moet het journaal iets anders brengen, iets minder vanzelfsprekends, iets dat de waan van de dag overstijgt.

Maar wat?

Pim Fortuyn, zegt Laroes, heeft het journaal in verlegenheid gebracht. Hoe kon het dat de beste nieuwsrubriek van Nederland de veenbrand gemist heeft en het enorme gevoel van onvrede dat Fortuyn aan het licht bracht? Hij schreef zijn masterplan dat hij 'Ten Aanval' doopte. Het journaal, vond Laroes, moest een manier vinden om de boosheid in onderwerpen te vertalen. Het journaal moest 'de staat en de straat' met elkaar in verband brengen. Het moest dichter op de mensen gaan zitten die dit land bewonen. En het moest verder af gaan staan van hen die ons besturen.

'Heel belangrijk en interessant is de richtingenstrijd die sinds 11 september en sinds Fortuyn bij het journaal gevoerd wordt. Gaan we naar leuk en luchtig? Worden we de Kinderboerderij der Lage Landen? Ik vind, het journaal moet het belangrijkste nieuws van de dag brengen in volgorde van belangrijkheid. Daar staat de mening van de hoofdredactie en van een groep redacteuren tegenover die vinden dat we juist dichter bij huis moeten gaan kijken. Ondertussen brengen we uit het buitenland alleen de dingen die makkelijk te behappen zijn.

Eelco Bosch van Rosenthal, plaatsvervangend chef buitenland

Ik breng een dag door aan de zijde van Klaas Treurniet, eindredacteur van het Acht uur journaal, dat gezien wordt als de eredivisie onder de dagelijkse bulletins.

Die dag doet zich een kwestie voor die de glijbaan illustreert waarop een nieuwsprogramma terechtkomt wanneer het minder harde nieuws óók nieuws wordt. De avond daarvoor heeft nova bericht over een Hoge Ambtenaar op het ministerie van Justitie, die door de Gaykrant en door Panorama van ontucht met minderjarige jongetjes beschuldigd is. Zijn naam en zijn precieze functie werden niet genoemd. Wat doet het journaal daarmee?

In de kantoortuin heeft niemand het over een Hoge Ambtenaar. Iedereen weet dat het om de secretaris-generaal van Justitie gaat. Iedereen noemt hem bij zijn naam.

'Hij is in het Anne Frankplantsoen gaan wandelen.'

'Ja. Bestuurlijk.'

'Zonder hondje.'

Ik lees het stuk in de Panorama waar alles mee begonnen is. Riooljournalistiek. Anonieme bronnen die een herkenbaar persoon beschuldigen zonder zijn naam te noemen. Het researchduo Lex Runderkamp en Robert Bas heeft het stuk in de Panorama ook gelezen.

Lex: 'Er is eerder een strafrechtelijk onderzoek naar hem gedaan. Volgens Krol van de Gaykrant is hij pedoseksueel. Maar dat kan hij niet hard maken.'

Eelco Bosch van Rosenthal, plaatsvervangend chef buitenland, vraagt zich af of het hier niet om een privé-kwestie gaat.

Lex Runderkamp: 'Qua feitelijkheid is het nog geen verhaal.'

'Het is een Haagse doofpotkwestie', meent een eindredacteur.

'Nee', zegt Rob Maas, de eindredacteur van het Zes uur journaal. 'Het is een rel. En als we het niet zeker weten, is het een kwestie van standvastigheid om daar niet aan mee te doen.'

Lex Runderkamp: 'We weten het voor 80 procent.'

Rob Maas: 'Journalistiek moeten we het niet doen.'

Voor het oude journaal zou daar het laatste woord mee gesproken zijn. Maar voor het nieuwe niet.

Marcel Gelauff, een van de drie adjunct-hoofdredacteuren: 'Op het moment dat het een rel wordt is het nieuws. Sowieso.'

Rob: 'Mijn stelregel blijft: bij twijfel niet inhalen.'

Marcel: 'Dan missen we de rel.'

Hoofdredacteur Hans Laroes wil dat de redactie het onderwerp alvast 'uitzendklaar' maakt. Voor als er er een rel over losbarst.

Terug achter zijn beeldscherm zucht Klaas Treurniet. 'Dit is', zegt hij, 'de dood van de journalistiek. Je weet niet of je goed zit. Maar je doet toch mee, alleen maar omdat het raar is als je niks doet.'

Inderdaad, noteer ik. Zo komt een hype tot stand. Het monster media stort zich niet op de feiten maar op de kwestie die los van de feiten aan het ontstaan is.

Lex Runderkamp en Robert Bas gaan op nader onderzoek uit. Ze komen niet veel verder. Die avond besluit het journaal op advies van Lex om het onderwerp niet uit te zenden.

Valse aangifte

Dagenlang blijft de Hoge Ambtenaar over de redactie zweven. Uiteindelijk brengt het journaal het bericht toch, als eerste. Lex Runderkamp vertelt dat er aangifte tegen de Hoge Ambtenaar gedaan is, in casu tegen de Hoogste Ambtenaar, de secretaris-generaal van Justitie. Het feit dat het de secretaris-generaal betreft, wordt de volgende dag in alle kranten met

een verwijzing naar het nos-journaal overgenomen.

'Nu was er een nieuwsfeit', is de algemene opvatting. Dat rechtvaardigt uitzending.

Een paar dagen later blijkt de aangifte vals.

Dezelfde dag nog zegt de man die de aangifte gedaan heeft, dat hij onder druk gezet is om hem in te trekken. Die avond spreekt Lex Runderkamp met hem. De man maakte, zegt Lex, een verwarde en labiele indruk. Het gesprek wordt niet opgenomen en dus ook niet uitgezonden.

Nog weer later komen Panorama en de Gaykrant op hun beschuldigingen terug. Hun getuigen blijken onbetrouwbaar. In het Acht uur journaal meldt Lex Runderkamp dit. Hij voegt eraan toe dat de Hoge Ambtenaar wel seks met jongemannen gehad heeft en dat hij die niet altijd naar hun leeftijd vroeg. Dat zou de secretaris-generaal aan de hoofdredacteuren van Panorama en de Gaykrant verteld hebben. De Hoge Ambtenaar vindt die toevoeging niet leuk. Zijn advocaat dient een klacht tegen het nos-journaal in bij de Raad voor de Journalistiek.

'We hebben een hoofdredacteur die graag achter zijn laptop zit. Een gesprek met hem voeren is moeilijk. Dat wordt al gauw eenrichtingsverkeer. Hij praat niet graag. Hij e-mailt liever.'

Edith Janmaat, plaatsvervangend chef binnenland

Het journaal van vóór Pim Fortuyn wordt door straatgezinde redacteuren graag omschreven als te volgzaam, te autoriteitgevoelig.

Natuurlijk is het niet de bedoeling van het masterplan 'Ten Aanval' en van de daaruit voortvloeiende vernieuwingen om het harde nieuwsfeit te vervangen door het gerucht. Maar de nieuwe aanpak, geeft Hans Laroes toe, impliceert wel dat we 'meer dan vroeger op een dun koord dansen'. Als het journaal, zegt hij, zich niet alleen maar laat leiden door de officiële agenda's, als we het Nederland van boven én het Nederland van onder de grond in beeld willen brengen, ja, dan loop je risico. 'Je doet een poging tot actuele geschiedschrijving, terwijl je weet dat je daarin faalt.'

Ik loop een willekeurige dag met de hoofdredacteur mee. Ik kan niet naar waarheid getuigen dat hij zich op zo'n dag sterk met het journalistieke proces op de redactie bezighoudt. Zijn meeste tijd gaat op aan besprekingen met nos-juristen over het te dure contract met persbureau Reuters en aan overleg met alle actualiteitenchefs van de publieke omroep over hoe te handelen bij calamiteiten. De rest van zijn hoofdredactionele tijd brengt Laroes voornamelijk door achter zijn laptop, waarop hij iedereen die over het journaal iets te klagen heeft via de website digitaal van repliek dient.

Zijn gedachten omtrent het journaal heeft Laroes voor een deel overgenomen van zijn voorganger Nico Haasbroek, een vrolijk man wiens gedwongen vertrek desondanks door weinig redacteuren betreurd wordt. Hans Laroes, ook geen treurwilg van nature, is praktischer van instelling. Hij heeft, als bijdrage aan de vernieuwing, een vaste correspondent in Fortuyns Rotterdam benoemd. Hij heeft de special reports geïntroduceerd, berichten uit de samenleving waarmee Marga van Praag haar kijkers de stuipen op het lijf jaagt. En hij heeft, zegt hij, de 'checklist' van zijn redacteuren uitgebreid met de vraag: wat betekent dit nieuwsfeit voor de eenvoudige mens die het overdag of des avonds tot zich neemt?

'Het journaal is een plek waar de mensen elkaar beschaafd bejegenen. Journaalcollega's stellen er een eer in om vriendelijk, erg vriendelijk, met elkaar om te gaan.'

Dick Jansen, chef planning.

Een mens kan vier maanden te gast zijn bij het journaal en terugkomen met een lofzang op de beschaafde omgang, de beleefde gesprekstoon en de bescheiden, zij het licht cynische, humor die de medewerkers onderling tentoonspreiden. Ze houden de deur voor elkaar open, ze dringen niet voor bij het koffiezetapparaat en ze roken hun sigaretje in de daartoe aangewezen rookruimte.

De nieuwe adjunct-hoofdredacteur Marcel Gelauff, in april overgekomen van het concurrerende rtl-nieuws, zegt dat hij zijn eerste weken bij de publieke omroep vooral erg stil vond. 'Bij rtl', zegt hij, 'stonden de tv's harder'. 'Doldrieste types', zegt Michiel Hartzuiker, eindredacteur van het Zes uur journaal, 'zul je bij ons niet gauw tegenkomen. Mensen die graag een pas op de plaats maken hebben we genoeg.'

Pas als ik de redacteuren in de afzondering

van het restaurant naar hun alledaagse praktijk vraag, blijkt hoe verschillend ze over de

gewenste aanpak van het dagelijkse nieuws denken.

Er zijn er die als één man achter de denkbeelden van hun hoofdredacteur staan. Anderen moeten er weinig tot niets van hebben. Die vinden het betrouwbaar en foutloos brengen van wat ze 'het eerstelijns nieuws' noemen al moeilijk genoeg.

Researcher Robert Bas ('Ons nieuws ligt nu op straat!') vertelt met groot enthousiasme dat het journaal een hele positieve omslag gemaakt heeft. Presentator Philip Freriks daarentegen spreekt van 'een romantisch idee dat erg leeft bij de hoofdredactie en de redactiechefs. Jongens! De straat op! Daar ligt het nieuws voor het opscheppen. Leuk. Maar een beetje onzin.' Binnenlandchef Diederik Bonarius wil

de straat op om 'meer lagen in het verhaal

te brengen'. Plaatsvervangend buitenlandchef Wouter Meijer gruwt bij de herinnering aan sommige resultaten: 'Het absolute dieptepunt deze zomer was de scène op het strand waar een rijtje jeugdige badgasten het woord h-i-t-t-e-g-o-l-f scandeerde.'

'Het Acht uur journaal is als de bruine boterham die je op moet eten, omdat het zo gezond voor je is.'

Sacha de Boer, presentator Acht uur journaal

Op een late, natte najaarsavond tref ik in een rustig Amsterdams etablissement sterverslaggever Gerri Eickhof. Hij maakt de vergelijking met een warme bakker die van de ene op de andere dag zijn assortiment ondersteboven gooit, omdat hij denkt dat zijn klanten dat willen. 'Alleen, het brood smaakt niet meer.' Vier schappen met petitfourtjes en op vrijdag een tompouce, vooruit, dat moet dan maar. Tot daar en niet verder.

Zo is het ook met het journaal, zegt Gerri Eickhof. 'De staat en de straat' is op zichzelf een goed streven. 'Maar het mag niet ons doel zijn om helemaal van de straat te zijn. Je moet er niet in doorschieten en dat is na Fortuyn wel gebeurd. Ik vind dat we onze eigen afwegingen moeten blijven maken. Beste mensen, dit vinden we belangrijk, dus dat brengen we, desnoods tot vervelens toe. Mensen die alleen maar dingen willen zien die direct bij hun eigen belangstelling aansluiten, moeten maar naar andere programma's kijken. Je moet niet alle mensen willen bereiken. Niet de mensen die om de nieuwsprogramma's heenzappen.'

Ten aanval

Een winderige maandagavond in oktober. Als het nieuws van acht uur voorbij is, gaat iedereen die niet per se aanwezig moet blijven voor de late journaals naar de Marconizaal, even verderop in het Mediapark. De journaalredactie staat ingeboekt voor de jaarlijkse beleidsvergadering. Het onderwerp van de avond is het hoofdredactionele plan 'Ten Aanval'. Die middag heb ik me afgezonderd met Dick Jansen, chef planning en tevens voorzitter van de redactiecommissie. Bij geruchte heb ik vernomen dat zijn redactiecommissie in de Marconizaal een serie gepeperde stellingen ten gehore gaat brengen, waar de hoofdredactie de slaap niet van zal kunnen vatten.

Het blijken er dertien te zijn en ze zijn inderdaad lang niet mis. De ergste is wel dat 'het journalistieke handwerk (wie, wat, waar etc.) onder de maat is'.

Het daarop volgende kwartier benut Dick Jansen om me op het hart te drukken dat de stellingen weliswaar zeer prikkelend en erg kritisch zijn, maar dat ze alsjeblieft, onthoud dat goed niet de mening van de redactiecommissie weergeven.

Om half negen opent Hans Laroes de jaarvergadering. De meeste redacteuren zitten op een rechte stoel voor het podium. Een paar hebben een luie stoel aan de zijkant veroverd. 'Die zijn meer dan 25 jaar in dienst', roept Laroes. 'Willen jullie een deken over je benen?'

Achtereenvolgens komen de aanstaande bezuinigingen, de nieuwe dagbulletins die het journaal vanaf 1 januari gaat vullen, de pauze, een lezing van Pauline Broekema en een leerzame toelichting op de komende digitalisering aan de orde. En dan loopt het tegen elf uur en is het tijd voor de langverwachte discussie.

Dick Jansen krijgt het woord en richt zich vanaf het podium tot mij. 'Vergeet je het niet? De stellingen die nu volgen zijn niet de mening van de redactiecommissie!' Vier leden van de redactiecommissie dragen ieder enkele van de stellingen voor. Dan is het kwart over elf.

'Discussie tot half twaalf', roept Hans Laroes. 'Anders zijn de bitterballen koud.'

'We gaan het gewoon steeds beter doen', roept een redacteur.

Een enkeling sluit zich daarbij aan.

'Volgens mij is het klaar', zegt Hans Laroes.

Einde discussie.

'Journaalredacteuren kijken naar dezelfde tv-series, iedereen hier vindt Jiskefet leuk. We lezen dezelfde boeken. We zijn geabonneerd op de Volkskrant en de nrc. Wij zijn de redactie van de blanke voorsteden, van de verkeersdrempels en van de nieuwbouwwoningen. We stemmen PvdA of GroenLinks. Het is geen complot, maar het is wel een feit. We horen bij de gevestigde orde. Er bestaat veel wantrouwen tegen ons.'

Hans Laroes, hoofdredacteur

In de droom van de hoofdredacteur is het journaal er niet alleen voor Zijn Soort Mensen. 'Hoe komt de kut-Marokkaan bij ons? Die vraag, daar worstel ik mee.'

De wens is er, uitgesproken zelfs, om de Turk, de Marokkaan en de overige minderheden achter de redactiebureaus te krijgen. De praktijk blijkt weerbarstig. De naam van het veelbelovende Marokkaanse meisje dat bij het journaal stage mocht lopen, bleek op een dag onder een ter redactie binnengekomen persbericht te staan. Afzender: de ael, afdeling Nederland. Ze bleek hun perschef. Het meisje begreep niet dat dat te ver ging.

En nu is Fouad Sidali aan de beurt, de enige overgebleven Marokkaanse redacteur op de redactie binnenland. Als ik hem spreek, geeft hij een kwartier lang hoog op van zijn contacten in de allochtone wereld en van zijn meerwaarde voor het journaal. Als hij klaar is, vraag ik hem of het waar is dat per 1 januari zijn contract wordt opgezegd. Ja. En of hij daar boos over is. Ja. Ontzettend boos.

Hij noemt het een geval van autochtone

arrogantie.

Fouad Sidali: 'Ze vinden dat er te weinig uit mij komt. Maar dan weten ze niet hoe moeilijk het is waar ik mee bezig ben. Als je bij het journaal werkt, ben je in je eigen gemeenschap al gauw een verrader. Het journaal wordt gezien als een Hollandse instelling waar je niet mee overweg moet willen.'

Fouad Sidali heeft zich bij zijn ontslag neergelegd. 'Het journaal heeft goede bedoelingen', zegt hij, 'maar niet met mij.'

'Ik vind het journaal zo Hollands. Weinig ruimte voor een kwinkslag, weinig lucht. Het is allemaal bloedernstig. Net als de Nederlandse literatuur. Zwaar op de hand, weinig ruimte voor iets fladderigs. Als je het journaal uit hebt, heb je gegeten en gedronken. Alleen, het glas wijn was het net niet, het vlees was een beetje taai, net niet goed gebakken. Het zal wel iets met volksaard te maken hebben, Als ik met Amerikaanse vrienden naar het journaal kijk, zeggen ze: wat zijn jullie stijf!'

Noraly Beyer, presentator

Aan Diederik Bonarius, de chef binnenland, heb ik gevraagd of hij mij wil waarschuwen als hij een mooi onderwerp voor een reportage heeft. Op een ochtend schiet hij me aan. 'Ik heb iets voor je!' Het blijkt om een test te gaan waarmee de politie kan vaststellen of een automobilist onder de drugs of de medicijnen onbekwaam achter het stuur zit. Diederik: 'Daar is een rel over. Justitie wil er niet aan, omdat er nog geen betrouwbaar testapparaat voorhanden is. Verkeer en Waterstaat is furieus. Zo'n apparaat is er wél.'

Niet veel later zit ik in de auto naast verslaggever Kees van Dam, die door bureauredacteur Sophie Verhoeven over het onderwerp geïnstrueerd is. Het plan de campagne is dat we eerst naar Zoetermeer rijden waar de firma Dräger gevestigd is, de exploitant van het werkende testapparaat. Daarna rijden we door naar het Westelijk Havengebied in Amsterdam om een 'ex-motoragent' te interviewen die erg boos is, omdat het wél werkende apparaat honderd verkeersdoden per jaar kan schelen.

Halverwege Hilversum en Zoetermeer meldt Sophie zich aan de autotelefoon. Probleem. De baas van Dräger wil het apparaat niet demonstreren. Over twee weken brengt hij het uit op een beurs in Duitsland. Hij wil de primeur tot dan bewaren.

'Zal ik dan naar Amsterdam rijden?', vraagt de verslaggever.

'Nee, het gaat vooral om dat apparaat. Laat Amsterdam maar schieten.'

Even later. Sophie weer aan de telefoon. Ze heeft contact gehad met collega Daphne Tweebeeke. Die vindt de ex-motoragent juist wél belangrijk. Bij hém zit het verhaal! Rij maar naar Amsterdam, Kees. En vergeet het apparaat. Wellicht kan een andere verslaggever alsnog om halfvier naar Dräger.

In Amsterdam staan de cameraploeg en het satellietbusje dat zijn verslag naar Hilversum moet stralen al klaar. De ex-motoragent blijkt een voormalige politie-inspecteur te zijn. Voor de camera spreekt hij er schande van dat Justitie het apparaat van Dräger niet kent, althans niet betrouwbaar vindt. Het werkt wél. En het is voor 95 procent betrouwbaar.

In afwachting van de beelden uit Zoetermeer begint Kees van Dam in het busje zijn onderwerp alvast te monteren. Hij moet het journaal van zes uur halen.

Ik vraag hem naar het weerwoord. Mag Justitie niets terugzeggen?

Kees belt naar Hilversum. Oké. De verslaggever die naar Dräger gaat, gaat ook naar het ministerie. Terwijl Kees monteert, bestel ik een taxi en ga ik naar Hilversum. De eerste die ik op de redactie tegen het lijf loop is Kees van Dam. Er is iets kapotgegaan in het busje. Hij is als een dolle naar Hilversum gereden. Zes uur haalt hij niet meer. Het onderwerp komt nu in Acht uur. Philip Freriks kondigt het in de gongslag-headlines aan als Groot Nieuws. We horen de verontwaardiging van de ex-motoragent. We zien het apparaat van Dräger. En we horen de man op het ministerie die zegt dat het apparaat niet 100 procent betrouwbaar is. De strekking is duidelijk: er bestaat een prima drugstestapparaat, Justitie spreekt daar onwaarheid over, en dat leugentje kost vele verkeersdoden per jaar.

Na de uitzending vraag ik Kees van Dam of ik het ruwe materiaal mag zien van de interviews die zijn collega op het ministerie en bij Dräger gemaakt heeft. Ik bekijk het. En ik geloof mijn ogen en mijn oren niet. De man van Dräger (die zelf niet in het uitgezonden onderwerp aan het woord komt) zegt in het niet uitgezonden materiaal met zoveel woorden dat zijn apparaat 'op dit moment nog in de ontwikkelingsfase is' en dat je inderdaad 'nog niet kunt spreken van een gereed product'. Hij is bezig met de benodigde testen in Amerika, van belang om goedkeuring te verkrijgen.

Er is helemaal geen bedrijfsklaar apparaat!

'Wat wij zojuist op de televisie gezien hebben', vraag ik Kees van Dam, 'was dat het apparaat zelf? Of was dat een foto van het apparaat?'

'Een foto.'

En de man van het ministerie zegt niet alleen dat het apparaat onbetrouwbaar is, maar ook en vooral dat het onhanteerbaar is. Het past niet in een politieautootje. En het duurt tien minuten voordat je de uitslag hebt.

Kees van Dam: 'Had ik geen tijd meer voor. Ik was al blij dat ik het leven had.'

En de tekst bij je onderwerp zegt dat 11 procent van de automobilisten in Nederland onder dedrugs achter het stuur zit.

'Ja.'

Maar het bericht waarop je tekst gebaseerd is, spreekt van 11 procent in het weekendverkeer.

Kees van Dam buigt het doodvermoeide hoofd.

'Ik ben bang', zegt hij, 'dat we vandaag met zijn allen blind de verkeerde richting zijn uitgerend.'

'Bij ons is niet de eerste vraag: waar gaat dat verhaal eigenlijk over? Bij ons is de eerste vraag: moet er een satellietwagen heen? Die rijdt niet zo snel. Ik hoor wel eens wat: het is ach en wee tussen de bureauredacteuren en de verslaggevers. We sturen verslaggevers op pad met dingen die niet goed zijn uitgekristalliseerd. Die komen dan in tijdnood.'

Philip Freriks, presentator

De volgende dag roept Sophie Verhoeven mij tot de orde. Het was inderdaad een foto van het testapparaat. Maar het is wel degelijk bedrijfsklaar.

'De man van Dräger beweerde zelf anders', zeg ik.

'Ja', zegt Sophie, 'maar dat zei hij alleen om zijn contact met het ministerie niet in gevaar te brengen.'

Ik zeg: 'Zo'n onderwerp loopt over zoveel schijven, dat moet wel fout gaan.'

Sophie: 'Ik vind niet dat het fout is gelopen.'

Daphne Tweebeee is boos. Vind ik het dan niet erg dat er honderd onnodige doden per jaar vallen? 'We zaten goed', roept ze. 'We zaten goed. Dat weet ik honderd procent zeker.'

Maar ze zaten niet goed. En dat is strekking van dit verhaal niemand persoonlijk kwa lijk te nemen. Aan de reportage kwamen die dag twee verslaggevers te pas en twee bureauredacteuren, een chef en een cameraploeg, een satellietbusje, enkele straalzenders, een eindredacteur, een video-editor en een regisseur en op het moment dat er nagedacht zou moeten worden over de inhoud, stelt de techniek zijn eisen en nadert het uur van Zes of van Acht onverbiddelijk. Ik bedoel: die reportage moest wel fout gaan.

'Bij ons staat de continuïteit van de productie de continuïteit van de journalistiek in de weg.'

Bernadette Slotboom, adjunct-hoofdredacteur

Bij het journaal worden verbazingwekkend veel onderwerpen ongezien het programma ingeslingerd. Omdat ze, vanwege de levendigheid, live gemaakt worden. Of omdat ze pas klaar zijn als de uitzending al loopt. Er is met andere woorden nauwelijks een sluis tussen het bericht van de verslaggever en de kijker die het tot zich neemt. 'Als ik', zegt Lex Runderkamp, 'morgen besluit om Balkenende voor gek te verklaren of Volkert van der G. voor

onschuldig, dan komt dat in de uitzending, zolang ik er van tevoren tegen niemand iets van zeg.'

Formeel ligt de verantwoordelijkheid bij de eindredacteur, maar die spreekt graag (Gerard Arninkhof) van 'gedelegeerd vertrouwen'. Aan de zijde van eindredacteur Klaas Treurniet heb ik gezien dat hij aan checken eenvoudig niet toekomt. Een eindredacteur bij het journaal is als een boekhouder die de hele dag minuten en seconden zit te tellen. Het wonderlijke is dat er wel de hele dag en voorafgaand aan de uitzending over alle onderwerpen uitgebreid wordt gesproken. Maar bij die gesprekken is de man of de vrouw die het onderwerp maakt, zelden aanwezig. Die is dan al op pad, met de cameraploeg en het satellietbusje.

'Over de inhoud van je reportage hoor je achteraf zelden iets. Alleen dat je het mooi gefilmd hebt.'

Martijn Bink, verslaggever

Alle redacteuren die ik spreek vraag ik wat zij als de sterke en de zwakke punten van hun journaal zien. Over het sterke punt zijn ze het met elkaar eens. Het journaal is het beste als het nieuws er al is, vooral als dat nieuws groot nieuws is. Als om half een 's middags het bericht binnenkomt dat Balkenende om halftwee een persconferentie geeft over Mabel: ja, daar weet het journaal raad mee. Dan grijpen alle radertjes in elkaar, dan zijn de live-verbindingen in een mum van tijd gelegd en dan gaat de een als vanzelf op zoek naar mensen die de kwestie kunnen duiden en toelichten, de ander duikt het archief in voor de historische beelden, een derde en een vierde halen uit het hele land reacties. Op het dieet van adrenaline stijgt het hele apparaat in zo'n geval boven zichzelf uit.

Op Mabeldag verzorgt het journaal, samen met Den Haag Vandaag en nos Aktueel, een lange middag live-uitzending. Hans Laroes doet zelf de eindredactie, Sacha de Boer presenteert en interviewt. Een keur aan gasten komt aan het woord. Het geheel verloopt vlekkeloos. Het journaal op zijn best.

Zwakke kanten

Over de zwakke kanten is de eenstemmigheid minder groot. Ik noteer in volgorde van opkomst: een voorliefde voor onbeduidende onderwerpen, een houding van plaatje-praatje en dat is het, te veel achter de autoriteit aanlopen, dat verdomde koninklijke van ons, onze bedroevende omgang met het beeld, dat we geen straatvechters zijn, dat we te bang zijn om ordinair over te komen, dat we niet nog platter moeten worden dan we al zijn, dat je in de keuken heel aangenaam naar het journaal kan

luisteren, dat we het volk heilig verklaard hebben, dat we onderling geen ruzie durven maken, dat het journaal het journaal niet meer is sinds we een adjunct-hoofdredacteur van rtl hebben overgenomen, dat we net doen alsof Nederland de 51ste staat is van Amerika, dat we niets van de islam weten, dat we onze presentatoren niet op ervaring uitkiezen maar op de vraag of ze jong en mooi zijn, dat het journaal te lang is, dat het journaal provinciaals is, dat er geen check is voordat een onderwerp de buis op wordt geslingerd, dat we veel spelfouten maken, want dat we, tot slot, helemaal niet zo betrouwbaar zijn als de mensen denken.

'Het journaal is een geoliede machine die vanbuitenaf in werking gezet moet worden. Vanbinnenuit opstarten lukt minder goed.'

Gerri Eickhof, sterverslaggever

In het restaurant vraag ik, los van elkaar, de drie vaste presentatoren van het Acht uur journaal wat zij als de zwakke punten zien. Ze staan min of meer buiten de dagelijkse productie. Ze krijgen vooral met het resultaat te maken.

Gerard Arninkhof stoort zich aan de stadhuistaal in de presentatieteksten die hij voor zijn neus krijgt: 'In schrijven zijn wij heel zwak.' Philip Freriks vindt ook dat hij van kauwgumtekst voorzien wordt. Hij wil zijn collega's niet op de ziel trappen, maar 'ik geloof dat ik de enige ben die ze ingrijpend herschrijft.' En hoe! 'Het oranjegevoel heeft een blauwe plek opgelopen!', zegt hij op de dag dat Air France de klm heeft overgenomen, 'Een deuk in het blauwe sentiment! Het is als de Hollandse driekleur die gestreken wordt voor de overmacht. Van koninklijk naar republikeins! Vliegen met de Franse slag!'

Philip Freriks heeft ook veel moeite met de kruisgesprekken tussen hem als presentator en de correspondenten of verslaggevers, die ooit zijn ingevoerd ter verlevendiging.

'En Andrea, hoe maakt de paus het?'

Andrea Vreede op het dak van het Vaticaan: 'Ik zou zeggen, niet echt geweldig.'

'Doorgaans', zegt Freriks, 'zijn het stijve toneelstukjes. We willen de indruk wekken snel en spontaan te zijn. In de praktijk is het een keurslijf.'

Aan Sacha de Boer vraag ik of ze er onder elkaar wel eens over praten. Nee. Ja. In de wandelgangen. Een presentatorenoverleg is er niet. Eind dit jaar hebben ze voor het eerst een gezamenlijk kerstdiner.

Mis je het?

'Ja, heel erg.' We doen, zegt ze, bij het journaal niet aan brainstormen en presentatietraining vinden we ook niet nodig. Lof krijg je weinig en kritiek ook niet, heel Hollands allemaal, je kop niet boven het maaiveld uitsteken, dat gaat ook voor deze redactie op.

Ze zegt dat ze heel lang gedacht heeft: wat vinden ze van me? Goed? Niet goed? Ze had geen idee. 'Er is hier geen cultuur dat we elkaar iets vertellen.'

Neem de beeldtaal, zegt ze. Het journaal maakt plaatjes bij een tekst die nog geschreven moet worden. Of neem de headlines. Ze zou willen dat er een afdeling was die de headlines maakte, zoals bij een krant de koppenmakers. Er is ook geen tekstredactie. Moeten de eindredacteur en zij zelf doen, maar daar komen ze niet aan toe. Vooral de Haagse redactie is sterk in abstracte teksten. De minister van Landbouw heeft besloten om... , bij rtl kondigen ze hetzelfde onderwerp aan met: het bintje wordt goedkoper.

'Het komt', zegt Sacha de Boer, 'allemaal voort uit de angst voor een populistisch journaal. Maar dat heeft niets te maken met wat ik zeg. Mij gaat het om een helder en een professioneel journaal.'

'Onze reportages en berichten zijn dichtgeplakt met behang. Telkens dezelfde bse-koe die uitglijdt. Telkens dezelfde mensen die in de vacatures van het arbeidsbureau snuffelen zodat je denkt, heeft die man nou nog geen baan? Je krijgt eerst de reclameboodschappen, prachtig van beeld, schitterend gemaakt, grote hoogten en dan komen wij daarachteraan met onze clichés.'

Wouter Meijer, plaatsvervangend chef buitenland

De gesprekken over sterk en zwak culmineren in één kwestie. Format? Of geen format?

Een journaal zonder format stapelt de nieuwsfeiten van de dag op elkaar, als het even kan in volgorde van belangrijkheid. Een journaal mét format is meer een magazine. Daarin wisselen korte en lange onderwerpen, zware en lichte, belangrijke en grappige elkaar in een van tevoren omschreven ritme af. Als kijker heeft u het misschien niet meteen in de gaten, maar het journaal van Zes uur bijvoorbeeld heeft wél een strikt format en dat van Acht uur niet. Het Zes uur format stelt bijvoorbeeld na hooguit elf minuten een blok met korte berichtjes verplicht en aan het einde een reportage, bij voorkeur uit het leven gegrepen en met de verslaggever levend in beeld. De bedoeling was dat Acht uur vanaf 13 oktober ook een verplicht format zou krijgen. Maar er moet ter redactie nog het een en ander weggemasseerd worden. De invoering is uitgesteld tot 1 januari aanstaande.

De grootste profeet van het format is de jonge, in april jongstleden van het rtl-nieuws overgekomen adjunct-hoofdredacteur Marcel

Gelauff. Op de werkvloer bestaat zijn bijdrage voornamelijk uit het bij tij en ontij herhaalde advies om 'dicht bij de kijker' te blijven en het onderwerp 'behapbaar' te houden. Een nieuwe vn-resolutie over Irak verliest het bij hem gemakkelijk van een smakelijke kwestie rond een Laurus-supermarkt: 'Dat komt minder vaak voor', zegt Marcel Gelauff bij wijze van verklaring.

Het format ziet hij als een blauwdruk voor elke uitzending, een onontbeerlijk hulpstuk waardoor de kijker weet waar hij zich ongeveer in de uitzending bevindt en of het aanhangige onderwerp gauw voorbij is dan wel voorlopig nog even voortsukkelt. Op vaste plekken een live verslag, aan het eind altijd een onderwerp met lucht, na 7 minuten en 35 seconden een paar kortjes dat soort voorschriften.

Er zijn journaalredacteuren die hem om de hals vallen. Sacha de Boer kan zich enorm kwaad maken dat het format voor Acht uur er nog niet is. 'Het journaal is een programma! Wie daar niet aan wil, vindt het blijkbaar niet zo erg dat de stapel die we nu bieden saai, lang en vervelend is om naar te kijken!'

Anderen zien het format als de doodsteek voor een harde nieuwsrubriek. Een van de stellin gen van de redactiecommissie sprak dat uit. Plaatsvervangend chef buitenland Eelco Bosch van Rosenthal: 'Wie zegt dat de kijker herkenbaarheid vraagt? Waarom moeten we luchtig eindigen? Ik vind dat een format de inhoud bijt!' Zoals hij, zo denkt menige journaalredacteur erover. Ons journaal is geen damesblad!

Het probleem is dat er aan de formatkwestie zoveel vasthangt. De vrees bij de tegenstanders dat elk onderwerp afgestemd wordt op de belangstelling van een denkbeeldig echtpaar uit Dronten. De hoop bij de voorstanders dat er in het journaal ook eens iets te lachen valt. De angst dat het buitenland bij Sas begint en bij Gent ophoudt. De hoop dat kijkers toestromen die het journaal nu nog als een straf zien.

'Het is hier een hele brave groep mensen. Bij binnenland lijkt het wel of ze de mensen op braafheid selecteren. Iedereen mag zeggen wat hij wil, maar de onderknuppels hoor je nooit het woord voeren. Ik ben zelf nogal los in de mond. Als ik naar productie loop en ik zeg tegen het meisje dat daar zit, hé sletje, kan ik bij jou een cameraploeg bestellen, nou, dat vinden ze ongelofelijk grof hier.'

Marleen Zwanikken, coördinator economieredactie

Het openingsonderwerp van het Acht uur journaal neemt die avond bijna zeven minuten in beslag. Een dag eerder heeft het nieuws een

dreigende vrachtwagenblokkade aangekondigd op de wegen rond Utrecht. En nu heeft Acht uur uitgepakt met een actueel verslag en een historische terugblik op eerdere massa-acties en een straatreportage van economiechef Peer Ulijn, die algemeen als creatief en beeldend wordt geprezen. Peer heeft twee activisten op leeftijd gevolgd die in alle vroegte een spandoek zijn gaan ophangen aan een viaduct. Economiecoördinator Marleen Zwanikken denkt er anders over. Ze is woedend. Ten eerste, zegt ze, moet het journaal geen stakingsdreiging aankondigen. En ten tweede sloeg de prachtige reportage als een tang op een varken, omdat er die dag helemaal geen blokkade op de wegen rond Utrecht te zien was.

Er ontstaat een conflict over dat hoog oploopt.

Ze haat het, zegt Marleen Zwanikken, als het verlangen om de straat op te gaan leidt tot reportages over een actie die zich nauwelijks heeft voorgedaan. Leuk voor Van Gewest tot Gewest misschien. Maar niks voor het journaal.

Nog steeds woedend vertelt ze dat zij, als coördinator van de dag, die reportage niet gewild heeft. Maar dat adjunct-hoofdredacteur Marcel Gelauff, achter haar rug om, de zaak met de verslaggever is gaan bekonkelen. 'Met Marcel praat ik niet meer', zegt ze. Hem ziet ze als een rijkstromende bron van populistische ideeën. 'Bij economie', schampert ze, 'is het soms wel leuk om iets van het onderwerp af te weten.'

Een paar dagen later is ze economiecoördinator af.

Weer een paar dagen later komt Peer Ulijn naar mij toe.

'Ik weet niet wat Marleen je verteld heeft', zegt hij, 'maar het is niet de mening van de economieredactie.'

'Het journaal is goed in dingen uitleggen. En het imago van betrouwbaarheid, dat is ook een sterk punt. Marketingtechnisch moet je dat koesteren. Het journaal is niet goed in informatieoverdracht. Daar is rtl veel beter in. Het journaal denkt traditioneel vanuit de inhoud. rtl denkt vanuit de kijker. Wij registreren een gebeurtenis als een gebeurtenis op zichzelf. rtl vraagt zich af: wat betekent dat voor de kijker?'

Marcel Gelauff, ex-rtl, nu adjunct-hoofdredacteur van het journaal

De belangrijkste verandering die het Zes uur journaal, in deze de voorloper van het Acht uur journaal, heeft doorgevoerd is de slotreportage met de verslaggever live in beeld. In januari is het Zes uur journaal daarmee begonnen. Het heeft heel wat New Journalism-achtige bijdragen opgeleverd omtrent een aangespoelde bultrugwalvis, enkele Oost-Europese beren in Nederlandse opvang, de garnalendag in Lauwersoog, het beste koeiengras, een uitje van vrouwelijke burgemeesters op een pannenkoekenboot, de cursus noodsignalen voor koeien en de uitstervende schaapsherder. Daar zaten ontegenzeggelijk prachtprogramma's tussen. Met de diepgang van een klompje op het water.

De grootste verandering in het Acht uur journaal zelf en hét antwoord op Pim Fortuyn leveren de genoemde special reports van Marga van Praag. Ongevraagd verklapt haar hoofdredacteur dat hij Marga voor de keuze gesteld heeft: als zes minnetje eindigen in haar functie van presentator, of een nieuw leven beginnen als speciaal verslaggever. Ze koos het laatste.

Bij het journaal liggen haar reportages, voorzichtig uitgedrukt, controversieel. Jaloezie speelt daar een rol bij. Waarom krijgt 'dat mens' maar liefst vijf minuten of nog meer journaaltijd, terwijl de gewone ploeteraar blij mag zijn met twee of hooguit drie minuutjes? En waarom mag Marga als persoon de hoofdrol spelen in haar zendtijd, terwijl het overig verslaggevende voetvolk zich bij voorkeur gedeisd moet houden?

De grootste kritiek ondervinden natuurlijk het ongebruikelijke van haar onderwerpkeuze, de schrille toon waarmee ze haar gesprekspartners de doodschrik aanjaagt en de hoofdredactionele bescherming die ze geniet als paradepaardje van het verlangen de straat op te gaan.

Er zitten mooie reportages tussen, dat ontkent niemand. De manier waarop Marga van Praag de Europese regelgeving demonstreerde aan de hand van een gehaktbal, is menigeen aangenaam bijgebleven. Maar er zitten in haar oeuvre ook draken die een mens het schaamrood naar de kaken jagen. In Rotterdam staat de special reporter voor een willekeurige voordeur om de vinger te leggen op het huiselijk geweld daarachter: 'Maar dat is toch geen leven, dan kun je toch beter bij die man weggaan!', roept ze een mishandelde vrouw toe. In dezelfde trant behandelt ze de schulden van jongeren ('Ach, af en toe een beetje schuld, wat geeft dat?') en de harde aanpak van de boefjes onder hen: 'Waarom mag ik geen kut-Marokkaan zeggen en jij wel teringhoer?'

Volgens de een die er met gekromde tenen naar kijkt zijn haar bijdragen het journaal onwaardig, volgens de ander die er lol in heeft zijn ze trendsettend. Veel animo om met mij over haar aanpak te praten heeft Marga van Praag niet. Ze wil geen interview. Ze wil kritiek.

Maar die krijgt ze voldoende van haar collega-journaalredacteuren. 'Haar reportages', zegt een cynicus, 'zijn bedoeld als berichten uit de samenleving. Maar ik geloof niet dat de samenleving er veel van moet hebben.'

'Ik ben een bbc-fan. Als je ziet hoe professioneel dat gemaakt wordt, ja, dan vind ik het wel eens jammer dat ik hier geboren ben.'

Rob Koster, plaatsvervangend chef Den Haag

Een laatste keer de magneetkaart door de gleuven, een laatste gesprek met de hoofdredacteur.

Hij heeft zojuist twee verslaggevers van

De Telegraaf op bezoek gehad die hem geconfronteerd hebben met de boze kritiek van ex-redacteur Harmen Roeland die voortijdig bij het journaal is vertrokken. Hij en andere oudgedienden als ex-verslaggever Paul Grijpma

en ex-Duitslandcorrespondent Bert Tichelaar, eerder al onder Nico Haasbroek vertrokken, werpen Laroes een autoritaire omgang met

andersdenkenden voor de voeten.

Ik vraag Laroes of de ex-redacteuren inderdaad niet meer in zijn nieuwe journaalopzet pasten.

'Daar komt het wel op neer.'

Waarom niet?

'Ik associeer ze met scanners, met snel achter de politie aan, dat soort dingen. Ik vind, we moeten niet alleen op zoek gaan naar het eerste feit maar ook naar de betekenis achter het feit.'

Zijn droom, zegt hij er meteen bij, wil hij wel realiseren met de mensen die nu bij het journaal werken.

Ben je zelf tevreden, vraag ik hem, met het resultaat van de vernieuwingen? Is de verbinding van de straat met de staat gelegd?

Hans Laroes: 'Incidenteel is het ons gelukt. Structureel nog niet.'

Het belangrijkste, zegt hij, is dat het idee achter de veranderingen langzaam maar zeker in het collectieve bewustzijn van zijn redactie doordringt. De staat en de straat, zegt hij, wordt niet meer louter gezien als het speeltje van de hoofdredactie.

Ik zeg dat er op zijn redactie ook veel verzet leeft, zeker tegen de missers die de vernieuwing opgeleverd heeft.

Laroes: 'We moeten het blijven proberen.

Mijn droom is me af en toe wel een misser waard.'

Gerard van Westerloo is journalist.

Vincent Mentzel is staffotograaf van NRC Handelsblad.

[streamers]

'Het absolute dieptepunt deze zomer was de scène op het strand waar een rijtje jeugdige badgasten het woord H-I-T-T-E-G-O-L-F scandeerde.'

'Wij zijn de redactie van de blanke voorsteden, van de verkeersdrempels en van de nieuwbouw woningen. We stemmen PvdA of GroenLinks. Het is geen complot maar wel een feit.'

    • Gerard van Westerloo