Afhankelijke commissies

Nederland heeft een probleem met onafhankelijk beleidsonderzoek. Vaak worden commissies of wetenschappers niet geacht onafhankelijk te zijn, maar om het voorgenomen beleid met schijnwetenschappelijke argumenten te onderbouwen. Dat blijkt ook uit het treurige relaas dat de voormalige voorzitter van de commissie geluidsnormen Schiphol, prof.dr. A.J. Berkhout, afgelopen zaterdag deed in deze krant. Zijn commissie was ingesteld om in opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat onderzoek te verrichten naar een nieuw geluidsnormenstelsel waar de Tweede Kamer zware kritiek op had. Toen de commissie concludeerde dat het nieuwe geluidsnormenstelsel minder voldeed dan het oude, werd het toch ingevoerd met als troost dat de commissie de invoering zou beoordelen. Al gauw bleek dat de commissie hiervoor zelf niet op onderzoek mocht uitgaan, maar alleen de door het ministerie aangeleverde gegevens mocht beoordelen. Uiteindelijk gaf Berkhout deze opdracht terug. Om de illusie in stand te houden dat Schiphol met meer vliegverkeer minder lawaai produceert, wordt nu een ondoorzichtig normenstelsel met fictieve scenario's gehanteerd. Dat gebrekkige systeem is volgens Berkhout mede onderbouwd door het `onafhankelijke' Nationale Laboratorium Lucht en Ruimtevaart dat conclusies van de commissie in nauwe samenwerking met ambtenaren heeft herschreven.

Het komt zelden voor dat wetenschappers hun opdracht teruggeven als hun onafhankelijkheid in het geding is. Prof.dr. A. Köbben heeft zeven jaar geleden in deze krant onthuld hoeveel ambtelijke druk op hem werd uitgeoefend om het hoge ziekteverzuim in het onderwijs te verdoezelen. Toen Köbben dat weigerde, werd de opdracht doorgegeven aan een onderzoeksbureau. Volgens Köbben is er weinig verschil tussen beleidsonderzoek van academici en van commerciële bureaus. De titel van professor geeft status aan een onderzoek, maar biedt geen garantie voor wetenschappelijke onafhankelijkheid. Vaak gaan wetenschappers mee met de opdrachtgever uit vrees dat ze anders niet meer aan bod komen. Wie dan onafhankelijk blijft, wordt eenzaam. De politieke en ambtelijke druk op onderzoek is een publiek geheim waar wetenschappers vertrouwelijk over praten, maar zelden in het openbaar over durven te getuigen. Dat is jammer. Wetenschappers zijn voor de financiering van hun onderzoek steeds afhankelijker van de derde geldstroom van buiten de universiteit. Een kritisch wetenschappelijke houding kan de faculteit veel geld kosten en kan zelfs tot ontslagen leiden. Door deze financiële gebondenheid kan niet elke hoogleraar gezaghebbend over zijn vakgebied praten.

Onafhankelijk beleidsonderzoek is van groot belang voor de kwaliteit van het beleid en voor de informatie van de burgers en hun politieke vertegenwoordigers. De Britse BSE-crisis was mede het gevolg van wetenschappers die de politiek naar de mond praatten. De Tweede Kamer moet op eigen gelegenheid wetenschappelijk onderzoek kunnen laten doen naar kwesties als privatisering of de geluidsnormen van Schiphol, zonder inmenging van de uitvoerende macht. Ook de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen onderneemt te weinig om de geloofwaardigheid van hooggeleerden te garanderen. De academische vrijheid en integriteit staan op het spel.