`Zweden is te triest voor realisme'

Niemand schrijft nog realistische politieromans, zegt Maj Sjöwall (68), wier gezamenlijk werk met Per Wahlöö opnieuw is uitgebracht.

Ze controleerden alles.

`Dat hotel in Boedapest stond er echt'.

,,De situatie van nu is niet onvergelijkbaar met die van destijds. Toen had je Johnson en Nixon met hun verderfelijke Vietnamoorlog, nu Bush met Irak. Destijds werd het idioter toen een heel slechte acteur genaamd Ronald Reagan gouverneur van Californië werd, nu is Schwarzenegger dat nota bene geworden.''

Aan het woord is Maj Sjöwall, de overgebleven helft van het schrijversduo Sjöwall en Wahlöö. Als ze het over destijds heeft dan bedoelt ze haar tijd met `Per', en vooral de periode 1965-1975, waarin ze dag en nacht met hem samen was en tien wereldberoemde politieromans met hem schreef.

Per en zij waren linkse idealisten, afkomstig uit burgerlijke milieus. Per was ronduit marxistisch. Sjöwall maakt de indruk dat ze milder was en nog is, maar haar ogen schieten vuur als ze het over politiek en kapitalisme heeft. Zweden en met name Stockholm wordt steeds lelijker, de samenleving steeds harder. Maar hun maatschappijkritiek trof geen doel. Het verslechterde al merkbaar terwijl ze aan de reeks werkten. Vandaar ook dat de boeken steeds langere lappen uitleg bevatten van wat er fout ging. ,,Daarom is deel tien, De Terroristen, ook zo dik geworden'', zegt Maj Sjöwall stralend. ,,Nee, als Per vandaag ontwaakte, zou hij zeggen dat het veel erger is dan we ons nooit hadden kunnen voorstellen.''

Maj Sjöwall is 68 jaar oud en al bijna dertig jaar weduwe van Per Wahlöö én van hun gezamenlijk schrijverschap. Wahlöö overleed in 1975, nog geen vijftig jaar oud, voordat dat dikke laatste deel rond de onheldhaftige politiecommissaris Martin Beck verscheen. Sjöwall is in Nederland om promotie te maken voor de heruitgave van de tiendelige reeks die bijna vijftien jaar uit de handel is geweest. De ruggen van de bekende cassette met grijze pockets van destijds vormden een portretfoto van het echtpaar. Toen was Maj Sjöwall een knappe jonge vrouw met donker krullend haar. Nu is ze een zeer vieve senior met een gouden brilletje op en kort donkergrijs haar dat in haar nek in een anarchistenstaartje zit.

Ze schreven 's nachts, vertelt ze, als de kinderen (twee gezamenlijk en elk nog een uit een vorig huwelijk) sliepen. ,,Overdag, als de kinderen naar school waren, tikten we elkaars hoofdstukken uit en redigeerden die tegelijkertijd. De rest van het jaar dachten we na over het volgende boek, spraken erover en deden research. We maakten elkaar wakker om de uitweg te vertellen uit een plotprobleem en we smokkelden nieuwe personages in onze eigen hoofdstukken om elkaar te verrassen.''

Sjöwall en Wahlöö werkten volgens uitgekiende principes. Het moesten realistische politieromans zijn die in Zweden speelden, want zoiets bestond er nog niet. En realistisch betekende onder andere in een taal die iedereen zou kunnen lezen. Ook moest alles kloppen, hetgeen ertoe leidde dat Sjöwall soms 's nachts de straat op ging om huisnummers te controleren of te kijken of dat ene raam inderdaad vanaf dat bepaalde heuveltje zichtbaar was.

De misdaden, de sfeer op straat (zagen ze uit het raam een demonstratie, dan kwam die onmiddellijk in het boek), de politiehandelingen, alles moest kloppen. Sjöwall verantwoordt zich alsnog voor het hotel in Boedapest waar Martin Beck in De vrouw in het Götakanaal verbleef en waarover wel is beweerd dat het niet bestaat: ,,Toen wij het schreven stond het er wel.''

En de politiemensen moesten levensecht zijn, met een privé-leven, menselijke gevoelens en een onderlinge band, anders zou de serie geen stand houden. En dat het een serie van tien delen moest worden stond van meet af aan vast, al hielden ze er rekening mee dat het bij één deel zou blijven als dat flopte. Toen ze vrijwel dezelfde opzet later herkenden bij Ed McBain brachten ze die bij hun eigen Zweedse uitgever onder en vertaalden hem zelf.

Het ontwikkelen van de personages, waaraan ze het eerste jaar vrijwel continu bezig waren, is Sjöwall het meest bijgebleven. Zozeer zelfs dat ze later van hen is gaan dromen en nog altijd op eenzame momenten wel eens denkt: ,,Waarom belt Martin Beck nou nooit eens op, of Kollberg?''

Martin Beck werd een intelligente, maar saaie man, secuur, degelijk en ietwat nors. In de loop van de reeks zou hij zijn vrouw verlaten, zijn eetstoornis de baas worden en een keer worden neergeschoten. Sjöwall ontkent echter ten stelligste dat ze dat allemaal van tevoren hadden bedacht. Welnee, na elk boek begonnen ze pas aan het volgende boek te denken. Zo verliet Beck zijn vrouw omdat Sjöwall en Wahlöö het mens al na één boek niet meer konden uitstaan.

Beck bleek uitstekend getroffen. Drie verschillende politiecommissarissen beweerden onafhankelijk van elkaar dat ze model voor hem hadden gestaan. Sjöwall en Wahlöö kenden geen van de drie.

Gunvald Larsson, de botte bruut van de moordbrigade, was niet om realistische redenen in de verhalen gestopt, maar voor de kleur en het evenwicht. ,,Zo'n man zou binnen een dag ontslagen worden'', beweert Sjöwall, ,,maar dramatisch gezien hadden we hem nodig.'' Het minst realistisch waren misschien wel Kristiansson en Kvant, het komische duo dat als Jansen en Janssens bij Kuifje zaken in de war schopt, per ongeluk oplost of domweg klungelig in de weg loopt. Sjöwall herkent de vergelijking met Jansen en Janssens, alleen kende ze destijds Kuifje nog niet. De echte voorbeelden waren Bill en Bull, personages uit een kinderboek.

Na het overlijden van haar man heeft Sjöwall poëzie geschreven, maar niet gepubliceerd. Ze heeft ook, ruim tien jaar geleden alweer, Een vrouw als Greta Garbo geschreven samen met Tomas Ross. En nog vorig jaar verscheen in het Duits Erbsensuppe Flambiert, een culi-krimi, wederom in duo-vorm geschreven met Jürgen Alberts, de voorzitter van de Duitse bond van misdaadauteurs.

Het ligt voor de hand dat Sjöwall vooral de menselijke kant van de boeken voor haar rekening neemt, de round characters tekent, maar daar laat ze zich niet over uit. Toch zijn de verschillen met het solowerk van Wahlöö opvallend. Boeken als Noodweer en De Generaals zijn literairder en meer het werk van een systeemdenker, de personages meer zetstukken van een idealistische regisseur. Is zij dan op haar beurt misschien niet bij machte om alleen een bevredigende plot te construeren?

Ze beantwoordt de vraag niet, maar geeft een andere reden waarom ze zelf niet schrijft, zelfs niet nu de situatie schreeuwt om realistische maatschappijkritische politieromans. ,,Zulke boeken schrijft niemand, al lijkt tegenwoordig heel Scandinavië spannende boeken te schrijven. Zelfs Henning Mankell, die momenteel toch als de grootste geldt, waagt zich niet aan echt realisme'', aldus Maj Sjöwall.

,,Nee, het is allemaal zo treurig stemmend, de Zweedse samenleving is hard, er heerst veel ontevredenheid en het is onveilig op straat, voornamelijk door etnische groepen die zich ernstig misdragen. Als je daar realistisch over zou schrijven, kan het niet anders of je wordt van racisme beticht.'' Afgezien daarvan wil ze zich domweg niet in die treurigheid verdiepen. Ze gaat met haar zoon een kinderboek schrijven.

En verder vertaalt ze nog steeds. ,,Spelen met woorden blijft leuk.' En het moet deels ook voor het geld, want de boekencontracten van destijds waren beroerd. Van de royalty's van de meervoudig verfilmde, in 25 talen vertaalde, reusachtige bestsellers, kan Maj Sjöwall haar eenkamerflat niet verruilen voor een tweekamerflat.

De heruitgaven van `De vrouw in het Götakanaal', `De brandweerauto die verdween', `De man op het balkon', `De man die even wilde afrekenen', `De man die in rook opging' en `De lachende politieman' zijn uitgegeven door A.W. Bruna en kosten €10,– per stuk.

    • Gert Jan de Vries