Wetenschappers moeten niet zwichten voor opdrachtgevers

Ook in de onderwijssector staat de onafhankelijkheid van het onderzoek onder druk, menen Bas Levering en Lennart Vriens.

Zijn wetenschappers wereldvreemd? Prof. Berkhout, voorzitter van de commissie-geluidsnormen voor Schiphol, werd door de toenmalige minister Netelenbos en later door staatssecretaris Schultz onder druk werden gezet om de meetgegevens van de commissie aan te passen. Hij is daar terecht zeer verontwaardigd over (Opiniepagina, 29 november), maar hij had het kunnen weten als hij het boek De onwelkome boodschap, of hoe de vrijheid van de wetenschap bedreigd wordt (1999) van Köbben en Tromp had gelezen. Daarin wordt gedetailleerd verslag gedaan van de manier waarop financiers van onderzoek menen eigenaars van de uitkomsten van het onderzoek te zijn.

Dat vraagt om weerbare wetenschappers, mensen die niet alleen de rug recht houden als de vragende partij twijfelt aan de onderzoeksresultaten, maar ook leren om te gaan met initmiderende praktijken. Intellectuele weerbaarheidstraining zou derhalve onderdeel moeten zijn van elke wetenschappelijke opleiding.

Voldoende weerbaarheid bij wetenschappers zou ook de politiek goed doen. Het drama van de uitbreiding van Schiphol is een beschamend voorbeeld van het democratisch tekort. Politici doen de onverenigbare beloften van uitbreiding van de luchthaven en tegelijk beheersing van de lawaaioverlast, en willen dat vervolgens door wetenschappers laten verhullen. Als die zich daarvoor niet willen lenen, heeft de politiek een probleem. Want veel mensen hebben nu juist hun geloof in het openbaar bestuur verloren omdat in het democratisch besluitvormingsproces de feiten er niet toe lijken te doen.

Was Berkhout niet naïef toen hij instemde met het voorzitterschap van de desbetreffende commissie? Kon hij niet tóen al weten, dat de economische belangen bij Schiphol zo groot zijn, dat zijn objectieve meetgegevens er uiteindelijk niet toe zouden doen? Een MER met negatieve uitkomsten zou er toe hebben geleid dat de Tweede Kamer op enig moment in meerderheid zou hebben besloten om de normen aan te passen. Het gelijk van de cynici met hun ,,wat de politiek ook wil, Schiphol groeit toch door'' kon waarschijnlijk alleen worden weerlegd door een economische wending.

Berkhouts credo dat wetenschappers niet op de stoel van de politiek moeten gaan zitten en de politiek niet op de stoel van deskundigen klinkt aantrekkelijk, maar zijn invulling getuigt van een gebrek aan inzicht in het politieke proces. In dit land wemelt het niet alleen van naïeve wetenschappers, maar helaas ook van naïeve politici. Politici kijken veel te vaak te hoog op tegen de wetenschap en laten zich dan zogenaamde objectieve wetenschappelijke feiten als politiek dwingend opdringen.

Maar een wetenschappelijk feit is nog geen politieke norm. Als bijvoorbeeld de provincie Utrecht feitelijke gegevens over het aantal mensen en bedrijven dat zich in Utrecht zou willen vestigen en de provincie zou willen verlaten als enige norm zou nemen voor het volkshuisvestingsbeleid, dan miskent ze haar eigen politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid. Dat veel mensen en bedrijven om uiteenlopende redenen in de provincie vestigen is één ding, maar of dat dan ook maar allemaal kan en moet kunnen is een heel andere, politiek bestuurlijke, kwestie.

Als het om de eigen rollen van politici en wetenschappers gaat, valt er op de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek het een en ander aan te merken. De gewenste onafhankelijkheid is allesbehalve gegarandeerd. De geschiedenis van het onderwijsonderzoek in Nederland laat bijvoorbeeld zien dat de wetenschap al te vaak slaafs achter het door Zoetermeer gedicteerde beleid is aangelopen. Dat speelt met name bij wetenschappelijke onderzoekers die werden aangesteld bij universiteiten om het door de politiek geformuleerde beleid te legitimeren en te implementeren, de zogeheten derdegeldstroomprojecten, die veelal zo werden opgezet dat niet te verwachten viel dat er ook maar één kritische noot zou worden gekraakt.

De afhankelijke opstelling van wetenschappers is echter niet voorbehouden aan derdegeldstroomonderzoekers. Een wetenschap als onderwijskunde bijvoorbeeld heeft een groot deel van haar bestaan als academische discipline zichzelf een afhankelijke positie aangemeten. Omdat zij zichzelf zag als dienstbaar aan onderwijsinnovatie (verbetering en vernieuwing van het onderwijs) als belangrijkste doelstelling, lag het voor de hand nauw aan te sluiten bij het beleid van een overheid die zichzelf vanaf de jaren zeventig beschouwde als de belangrijkste initiatiefnemer van onderwijsvernieuwing en -verbetering. De prijs die daarvoor betaald werd was dat men afzag van een eigen kritische discussie over doelstellingen en richting van het onderwijs en zich ging toeleggen op de uitvoering.

Zie de basisvoming, die werd gelanceerd als een compromis dat een eind moest maken aan de verlammende politieke controverse tussen de voor- en tegenstanders van de middenschool. De politieke uitwerking van dit voorstel verenigde in wezen twee elkaar uitsluitende doelstellingen: het nieuwe onderwijs moest het algemene kennisniveau verhogen én meer kansen bieden voor de achterblijvers. Deze doelen golden in principe voor de beginjaren van alle vormen van voortgezet onderwijs. Hoe dat allemaal te realiseren viel, was niet duidelijk. Maar de onderwijskundigen stelden nauwelijks kritische kanttekeningen bij deze combinatie en begonnen meteen aan onderzoeksprojecten die uitsluitsel moesten geven over de beste wijze van invoering. Hoewel daar veel verdienstelijke deelonderzoeken bij waren, is duidelijk dat over het algemeen de wetenschap toch te veel aan de politieke leiband liep.

Dat weerbare wetenschappers een zeldzaamheid zijn ligt ook aan de manier waarop het wetenschappelijk onderzoek is georganiseerd. Het hoogst gewaardeerde universitair onderzoek is ook in de sociale wetenschappen vooral naar het model van de natuurwetenschappen ingericht. Daarin is weinig ruimte voor een individuele kritische houding en de druk van het programma is groot. In het wetenschappelijk onderwijs is de ruimte voor aandacht voor kritische thema's almaar kleiner geworden.

De recente overgang naar de nieuwe bachelors/masters-opzet van de universitaire studie was nadrukkelijk bedoeld om een bredere opzet mogelijk te maken met daarin bijvoorbeeld een groter accent op wetenschapstheoretische vragen. Een blik op de nieuwe curricula leert dat dat juist de aandacht voor de vorming van de weerbare wetenschapper alleen maar kleiner is geworden. In deze situatie is het de vraag of de aanbeveling die Berkhout aan de KNAW doet voor de invoering van een vorm van onafhankelijke arbitrage over het wetenschappelijke gehalte bij geschillen over adviezen realistisch is. Zo'n commissie zal niet kunnen compenseren wat in wetenschappelijk onderzoek en onderwijs ontbreekt.

Dr. B. Levering en Prof.dr. L.J.A. Vriens zijn verbonden aan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht.

WWW.NRC.NL/DISCUSSIE: Is de onafhankelijk adviseur werkelijk onafhankelijk?