Verslaafd aan de tafel van 26

Beroemde Nederlandse schrijvers zijn drie keer zo vaak in leven als beroemde buitenlandse schrijvers, blijkt uit een leesgids van Pieter Steinz. Die nodigt uit tot lezen. En tot tellen.

Ik ben een kinderachtige man. Als ik op de voorkant van een dik boek lees: `416 schrijvers, 104 meesterwerken, 52 schema's, 52 thema's, 26 quizzen', dan ben ik direct verkocht. Beter gezegd: dan koop ik direct dat boek. Want hier is kennelijk iemand verslaafd aan de tafel van 26. Een kaartspeler die op de 26 rode kaarten aast? Iemand die een half jaar elke week een boek leest? Of een lettergek die alles op alfabet zet? 416 = 4 X 104. 104 = 4 X 26.

Pas na lezing blijkt dat het boek 416 pagina's telt en dat er 104 Nederlandse auteurs aan de beurt komen, waaronder 52 mannen die nog in leven zijn.

Is Pieter Steinz, literair redacteur van NRC Handelsblad, net zo getallengek als ik? Nee, want ik kan die getallen uitleggen.

Of je nu een filmencyclopedie of een architectuurgids maakt, altijd krijg je te maken met twee akelige feiten, twee dwangmatige vertekeningen, één in de tijd en één in de ruimte. Wie in het jaar 2003 een Gids voor de wereldliteratuur schrijft, kan niet anders doen dan meer aandacht besteden aan schrijvers uit de twintigste eeuw dan aan schrijvers uit enige andere eeuw. Ook uitgevers kennen die kortzichtige tijdsdwang: ze kiezen auteurs die in leven zijn en op televisie kunnen verschijnen, zodat onnozelen ze kunnen vragen: `Is dat allemaal echt gebeurd?' Steinz is geen uitgever, maar hij moet toch ongeveer evenveel levende als dode auteurs in zijn boek zetten.

Naast dit tijdsaccent is er ook een ruimtelijk accent dat in het geval van de literatuur betekent: het voortrekken van de taal waarin de Gids geschreven is. Queneau wou een encyclopedie van de wereldliteratuur maken, waarin alle literaturen door experts uit de hele wereld behandeld zouden worden in eerlijke verdeling. Die Pléiade-encyclopedie bleek uit twee dikke delen te bestaan: één deel voor de Franse literatuur en één deel voor alle andere literaturen samen! Voor de Times Literary Supplement is de wereldliteratuur in het Engels geschreven of vertaald, met zo nu en dan een puur Frans of Duits boek dat per ongeluk niet in het Engels is.

Er zat voor Pieter Steinz niet anders op dan vantevoren vast te stellen hoeveel dode en hoeveel levende schrijvers hij ging behandelen, en hoeveel Nederlanders en buitenlanders. Ik heb de 416 geteld en u ziet hier het resultaat (tabel 1). Bedenk dat Wolff en Deken samen als één schrijver tellen, en dat het paar dat de naam Nicci French voert ook twee halven oplevert vandaar die halfjes bij de levende buitenlandse schrijvers. Ik heb namelijk, om discussies over man-vrouw te vermijden en op te wekken, ook de mannen en vrouwen afzonderlijk geteld in de vier categorieën niet/wel Nederlands, niet/wel levend.

U ziet het: de verhouding vrouw/man is bij de dode schrijvers gelijk aan één zevende, en bij de levende gelijk aan één derde. Dit geldt zowel in Nederland als in de rest van de wereld. Thans levende schrijvers zijn dus twee keer zo vaak een vrouw als dat onder de doden het geval was. Nog even en het verschil is weg.

Levend/dood

Maar nu iets heel merkwaardigs: Er zijn 104 Nederlandse en Vlaamse schrijvers. Steinz heeft kennelijk koelweg met zichzelf afgesproken dat een kwart van de schrijvers die in zijn boek mogen staan zich van het Nederlands bedient. Bij de buitenlandse schrijvers geldt dat de verhouding levend/dood gelijk is aan 2/3. Maar onder de Nederlandstaligen blijkt dat er twee keer zoveel levenden zijn als doden! Terwijl elke levende buitenlandse schrijver weet dat er voor hem anderhalve schrijver van vóór zijn tijd bestaat, is er voor elke levende Nederlandse schrijver maar één halve schrijver in zijn Nederlandse verleden. Zouden de levende schrijvers in Nederland werkelijk veel beter schrijven dan hun voorgangers? Of zijn we hier laat begonnen met de literatuur? Of worden Nederlandse schrijvers erg oud? Ik waag het niet die vragen te beantwoorden. Want dan dreigt het antwoord: Voor dode Nederlanders legt Steinz dezelfde maatstaf aan als voor buitenlanders, maar levende Nederlanders worden voorgetrokken.

Er is maar één taal die meer schrijvers voortbrengt dan de 104 Nederlandse. Dat is natuurlijk het Engels, met 153 schrijvers in die taal. Frans en Duits hebben 45 en 28 schrijvers, Russen en Italianen zijn ieder met zijn dertienen. En dan zijn er nog zestig schrijvers uit twintig andere taalgebieden. Als er op Mars een objectieve literatuurgids voor onze planeet verschijnt zal Nederland dus drie namen mogen leveren.

Aan elk van de 416 alfabetisch gerangschikte auteurs wijdt Steinz een hele of halve pagina waarin hij een treffende karakteristiek van schrijver en werk geeft, die je zin geeft het werk van die schrijver te gaan lezen. Die lof moet u van mij horen, want geen mens gaat natuurlijk, tenzij hij recensent is, die 416 stukken achter mekaar lezen. Opvallend is dat hij er vaak films bijhaalt (Clockwork Orange, Zorba de Griek, The English Patient) en bijvoorbeeld bij Wolkers opmerkt dat Turks Fruit `veel grappiger en ontroerender is dan de film van Paul Verhoeven doet vermoeden'. Maar ook radio (oorsprong van The Hitchhiker's Guide to the Galaxy), televisie (Berlin-Alexanderplatz), tijdschrift (Revisor, niet zozeer op Gogol als op Gombrowicz gericht) en zelfs schilderkunst (`Hemingway wilde schrijven zoals Cézanne schilderde').

Uit de aard der zaak zijn alle stukken gunstig van toon – waarom een slechte schrijver opnemen? Maar in sommige gevallen laat Steinz merken dat er ook wel anders over gedacht kan worden. Bij Allende en Fredriksson, bij de dode Conscience en De Hartog en bij de levende Giphart, De Loo, Palmen en Enquist worden reserves tot uitdrukking gebracht. Natuurlijk zijn er schrijvers waarvan ik denk: `Waarom staat die er niet bij?', maar ik besef dat ik voor de 26 uit mijn lijstje dan een andere auteur moet opofferen. (tabel 2)

Verbanden

Verrassend en informatief zijn de verwijzingen naar andere boeken of schrijvers die van invloed zijn geweest op, of die de invloed ondergingen van, de schrijver die behandeld wordt. Dat maakt de Gids tot een eenheid en niet een verzameling van 416 stukjes. Daarbij komen vaak onverwachte verbanden aan het licht, die Steinz ook weet te benutten in een van de 52 literaire schema's waarin een beroemd boek centraal staat, of een van de 52 literaire thema's waarin een stad, streek, tijdperk, of verschijnsel centraal staat. Er zijn ook nog 26 lijstjes en quizzen waar ik er hier nog een bijmaak over gedeelde voornamen. (tabel 3)

Het boek is uniek. Ik kan dus beweren: het is het beste boek in het genre, en ook: het is het slechtste boek in het genre. Pas als er meer zulke boeken komen, kan een SuperSteinz die boeken ordenen. Het boek is buitengewoon nuttig, want in Nederland krijgt nu eenmaal een buitenlandse, en een dode Nederlandse, auteur pas aandacht als hij vertaald wordt, sterft, of de Nobelprijs krijgt. Het viel mij op dat om de kwaliteit van bijvoorbeeld Atwood, Claus, Coetzee, Fuentes, Kemal, Kross, Oz, Toer en Wolkers te benadrukken, ze een Nobel wordt toegewenst. Coetzee heeft hem inmiddels al. Oz kan hem ook voor de vrede krjgen.

Van de lijst met 104 meesterwerken (hierin zijn geen 26 maar 24 Nederlands) kende ik er zes niet. Ga ik onmiddellijk lezen. Van de 416 schrijvers had ik van deze zes nooit gehoord: Bail, Chabon, Davies en Richler als Engelstalige en Koeppen en Maron als Duitse auteurs. Ik ga ze onmiddellijk lezen.

Pieter Steinz: Lezen &cetera. Gids voor de wereldliteratuur. Prometheus/NRC Handelsblad, 416 blz. €24,95