Veelplegers

Bijna als een hamerstuk sprak de Tweede Kamer zich in een commissievergadering deze week uit voor extra opsluiting van zogeheten draaideurcriminelen. Minister Donner (Justitie) kreeg instemming voor zijn plan veelplegers maximaal twee jaar te laten opsluiten. Hij volgt daarmee zijn befaamde grootvader, die voor de Tweede Wereldoorlog minister van Justitie was. Met warme instemming van het parlement introduceerde de oude Donner de ,,bewaring'' van beroeps- of gewoontemisdadigers. Daarbij ging het niet om twee jaar, maar om vijf tot tien jaar detentie. Die maatregel werd nooit ingevoerd wegens de economische crisis en stierf een halve eeuw later een zachte dood. Wat de jonge Donner nu wil, gaat minder ver, maar maakt niettemin ,,geen rechtvaardige indruk''. Zo waarschuwde de Tilburgse hoogleraar De Hullu deze zomer bij zijn vertrek naar de Hoge Raad. Dat was nog diplomatiek uitgedrukt. De nieuwe maatregel voor veelplegers vormt een ,,ingrijpende inbreuk'' op het – ook internationaal erkende – beginsel dat straf in verhouding moet staan tot nieuwe bewezen verklaarde vergrijpen. Het knelpunt is dat die delicten op zichzelf niet twee jaar opsluiting verdienen. En de oude delicten zijn al afgedaan. De nieuwe maatregel komt bovendien neer op ,,kale'' opsluiting, want Donner geeft niet veel om de resocialisatie van deze categorie. Met alle gevaar dat de veelplegers er (nog) slechter uitkomen dan ze erin gaan.

Er kan geen misverstand over bestaan dat veelplegers een serieus probleem vormen. Ze nemen een aanzienlijk deel van de dagelijkse criminaliteit en overlast voor hun rekening en verdienen ook zelf een extra aanpak. Wetenschappers willen nog wel eens moeilijk doen over de vraag of een vrouw van 79 jaar die al 20 jaar slechthorend is met 12 processen-verbaal wegens geluidsoverlast wel een veelpleger is en een jongen van 18 die in twee jaar zes keer is opgepakt voor diefstal met geweld (nog) niet. Maar dat soort vragen kan men rustig aan de rechter overlaten. Deze heeft sinds ons Wetboek van strafrecht van 1886 de opdracht te oordelen over het ,,bewijs van moedwillige volharding in het kwaad''.

Iets anders is dat dit wetboek al voorziet in de aanpak van veelplegers, ook al werd dat woord toen niet gebruikt. De vakterm luidt ,,recidive'' en anders is er ook nog de ,,meerdaadse samenloop''. Het openbaar ministerie pleegt in dit land echter slechts een kleine selectie van delicten per veelpleger aan de rechter voor te leggen en dat leidt vaak tot een heel wat lagere straf. Het arrondissement Den Haag heeft laten zien dat deze uitkomst niet onvermijdelijk hoeft te zijn. Daar zijn delicten opgespaard, met als gevolg een aanzienlijk hogere eis. Deze weg zou, beter laat dan nooit, landelijk moeten worden beproefd voordat de minister met zijn ingrijpende inbreuk op het geldende strafrecht komt. Dat geldt zelfs voor de terechte klacht dat het hoogst frustrerend is dat een veelpleger bij betrapping op heterdaad vaak eerder vrij is dan het slachtoffer klaar is met de aangifte. De Haagse rechter zei eerder dit jaar dat in dergelijke gevallen wel degelijk voorarrest mogelijk is.

Kern van de zaak is dat de veelplegers in de woorden van De Hullu ,,een praktisch of mentaliteitsprobleem'' vormen bij de justitie. Deze maakt zich er met andere woorden te gemakkelijk van af. Zoiets hoort niet te worden beloond met een gelegenheidswet, een tussentijdse wijziging waarover niet eens advies is gevraagd aan de Raad van State. Het is ook zeer de vraag of de nieuwe wet wel werkt in combinatie met de ideologische en kortzichtige bezuiniging op de reclassering door de huidige minister van Justitie.