Stendhal

Stendhal vrij te verklaren van gêne of opschepperij, zoals Arnold Heumakers doet in de eerste paragraaf van het geestdriftige artikel dat hij aan hem heeft gewijd (Boeken, 31.10.03), strookt niet met hoe ik deze schrijver in de loop der jaren heb leren kennen. Het mag juist zijn ten aanzien van zijn literaire productie, waarover hij zich in tegenstelling tot zijn grandioze ambities hiervoor, inderdaad met opmerkelijke bescheidenheid heeft uitgelaten. Maar met betrekking tot andere aspecten van zijn leven en carrière is hij er allerminst wars van geweest, als dit hem uitkwam, zijn verdiensten ongegeneerd te overdrijven, uit de duim te zuigen eventueel, teneinde zijn reputatie een gunstige spin te geven. Tot in de korte résumés van zijn levensloop die hij heeft nagelaten (het laatste, uit 1837, volgens zijn zeggen `ongecorrigeerd teneinde niet te liegen'), pocht hij een tête-à-tête met Napoleon te hebben gehad, te hebben deelgenomen aan de expeditie van Marengo (tijdens welke hij in Milaan de dames achterna zat), de Duitse taal te hebben bestudeerd, enz. enz. Het is overbodig, dunkt me, oude vrienden deugden toe te schrijven die ze niet hebben. Heumakers' zorgvuldige woordkeus in het algemeen appreciërend zij mij dit kleine meningsverschil met hem veroorloofd.

    • Marcel Teitler