Schrijven tegen de sloopkogel

Richter Roegholt geniet vooral bekendheid als de historicus die het waagde – en erin slaagde – een toegankelijk vervolg te schrijven op de meerdelige Geschiedenis van Amsterdam (1930-1933) van Hajo Brugmans. Maar zijn arbeidzame en productieve leven strekt zich ook uit tot het ontstaan en de opbloei van uitgeverij De Bezige Bij, de biografie van collega-historicus Ben Sijes en het eindredacteurschap van Verstandig Ouderschap: een blad dat in de jaren zestig meer losmaakte dan zijn oubollige naam deed vermoeden. Kortom, een leven dat veel interessante ontmoetingen moet hebben opgeleverd. In De stad is een gesprek blikt Roegholt daar mondjesmaat op terug.

Hij werd geboren in Semarang (1925), maar keerde als anderhalfjarige kleuter met pa, ma, oudere broer en zus terug naar `patria'. Hij groeide op in Amsterdam en Rotterdam, waar zijn ouders contact hadden met het linksige, intellectuele milieu rond Jan en Annie Romein, die de laatste hand legden aan De lage landen bij de zee en Erflaters van onze beschaving.

In beide steden doorliep de jonge Roegholt, deels tijdens de oorlog, het gymnasium. Op het Amsterdamse Vossius – ook bezocht door Loe de Jong – viel hij in de smaak bij de vermaarde geschiedenisleraar Jacques Presser, met wie hij vanuit Rotterdam bleef corresponderen. Daarna studeerde hij geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, zat hij met Renate Rubinstein in de redactie van Propria Cures en woonde hij in een soort commune op de Nieuwe Herengracht, waar schrijvers en kunstenaars als Gerard – toen nog Kornelis – van het Reve, Karel Appel en Chris van Geel geen onbekenden waren.

Daar, bij de Amstel, leerde Roegholt zijn toekomstige vrouw Truusje kennen. Hij studeerde af, ze trouwden, kregen kinderen. Adieu bohémienbestaan.

Maar Roegholt bleef in de buurt van de muzen cirkelen. In 1953 wordt hij kunstredacteur van Het Vrije Volk, in 1957 geschiedenisleraar aan een Middelbare Meisjesschool. In 1960 komt daar het eindredacteurschap van Verstandig Ouderschap bij: het blad van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming dat 300.000 Nederlanders elke maand vertelt wat de voordelen van de pil zijn en dat seks niet vies is.

De Bezige Bij, met Ik Jan Cremer óók op libertaire kruistocht, zoekt in 1969 een historicus voor haar jubileumboek. Roegholt perst er in drie jaar een dissertatie uit, De geschiedenis van De Bezige Bij, 1942-1972. Hij recontrueert nauwgezet hoe de uitgeverij zijn wortels heeft in studentenhulp aan joodse kinderen. En hij ontzenuwt het uit jalousie de métier voortgekomen gerucht dat het naoorlogse startkapitaal van `De Bij' onttrokken zou zijn aan de illegaliteit.

Roegholts naam als scheppend historicus is gevestigd. Op verzoek van Annie Romein schrijft hij een aanvullend hoofdstuk voor een heruitgave van De Lage landen. Daarna volgt een tweedelige Geschiedenis van Amsterdam in de twintigste eeuw (1976/1979), met veel aandacht voor stedebouwkundige en architectonische aspecten. Tien jaar later slaat de slinger door naar de de andere, persoonlijke kant. Roegholt publiceert een biografie over Ben Sijes: naast De Jong en Presser de historicus van Nederland in de Tweede Wereldoorlog.

Hierna volgen verschillende kleinere publicaties. Amsterdam blijft Roegholt ondertussen na aan het hart liggen. Op menige vergadering in de Amsterdamse binnenstad verheft hij zijn stem tegen de sloopkogel die door zijn partijgenoten van de PvdA op oude pandjes wordt losgelaten; al is hij ook vurig pleitbezorger van grootschalige projecten als het Stadhuis/Muziektheater en IJburg.

Me dunkt, dit is een leven dat nieuwsgierig maakt. Maar helaas, de kleine driehonderd bladzijden van De stad als gesprek blijken te weinig om de ins and outs van al deze wapenfeiten te beschrijven. Dat ligt aan de volheid van dit leven. Maar ook aan de wijze waarop de auteur daar een greep uit doet.

Het schrijven van een boek is `totale oorlog' schrijft Roegholt ergens, en in zijn schets van de wording van De Bezige Bij-monografie schemert daar inderdaad iets van door. Directeur Geert Lubberhuizen vraagt Roegholt, maar houdt vervolgens de lippen stijf op elkaar om de auteur tien jaar na verschijning van het boek te feliciteren met zijn `meesterwerk'.

Aan de Sijes-biografie worden slechts vier bladzijden gewijd. Ze doen voornamelijk verslag van een teleurstellend bezoek aan nazi-jager Simon Wiesenthal, aan wie Sijes uitvoerig rapporteerde over de adjudant van Eichmann in Nederland. Over Roegholts persoonlijke fascinatie voor lasser, radencommunist, selfmade historicus en buitengewoon hoogleraar Sijes: geen woord.

Roegholts leraar en leermeester Jacques Presser komt in De stad als gesprek wel uitvoerig voor het voetlicht. Meedogenloos. Het staat er echt: Presser was argeloos ten aanzien van het lot dat de Nederlandse joden te wachten stond. Alsof diens zelfmoordpoging, kort na de Duitse inval, samen met zijn vrouw, een akkefietje was. Wanneer Presser in 1948 weigert zich uit te spreken tegen de communistische staatsgreep in Praag, duwt Roegholt Presser voorgoed van zijn voetstuk.

Roegholt heeft het er druk mee, met die communisten zonder partijboekje; over het graf heen prent hij hun hun zonden nog eens goed in. De andere bêtes noires van zijn terugblik zijn de `poortwachters' van de literatuur, die hem de toegang tot de top van de Olympus hebben ontzegd. Want behalve als monograaf, generalist, stadshistoricus en biograaf zou Roegholt ook graag erkenning hebben gekregen als literator. Zijn gedichten werden door verschillende tijdschriften opgenomen, maar nooit kwam het tot een kloeke bundel. Ten onrechte? De lezer krijgt alle kans zelf te oordelen. Tussen veel gelegenheidspoëzie tintelt: `ga maar scheep op je droom/ blaas wind in een stemming'.

Naast deze lacunes, afrekeningen na dato en gefrustreerde ambities bevat De stad is een gesprek kleurige, komische en ontroerende passages. Het huis aan de Nieuwe Herengracht vol kunstenaars, studenten en andere ongeregeld goed, waar het plafond één plank dik is, staat. Renate Rubinstein (18) woonde er korte tijd samen met de auteur (22) – tot zij zich door de flamboyante uitgever Geert van Oorschot (39) liet meelokken naar Parijs: `Dan mag ik onder het rijden zijn sigaar aansteken.'

De mooiste bladzijden zijn gewijd aan Truusje, parkiet Kari, zoon Karel, verstandelijk gehandicapt, en de meisjes van de MMS `met hun grote ogen en smalle middeltjes'. De grootste woede is gereserveerd voor een van de laatste bladzijden. Als bitter toetje wordt zonder enige aankondiging het grootste drama uit Roegholts leven op het bord van de lezer gekwakt: de breuk met zijn dochter. De schuldigen? – `Deskundigen en sociale werkers, die in de jaren zeventig mijn gezin hebben verwoest.'

Nee, geschiedschrijving, poëzie en een vluchtige terugblik zijn heel het leven niet.

Richter Roegholt: De stad is een gesprek. Terugblik op mijn leven. Aksant, 276 blz. €25,–

    • Ed' Korlaar