Onder de sneeuw ligt de liefde

De schrijver Orhan Pamuk roept in zijn nieuwe, belangrijke roman een Turkse provinciestad op waar islamisten, militairen, mannen en vrouwen elkaar de macht betwisten, en het recht om een hoofddoekje te dragen. En onder de strijd knaagt intussen de onzekerheid, bij iedereen.

Omsloten door bergen ligt in Oost-Turkije de garnizoensstad Kars. Een grensgebied, vlakbij de Georgische en Armeense grens, je zou haast kunnen spreken van een drielandenpunt. Dat is ook te merken aan de bevolking, een mengelmoes van Turken, Armeniërs, Azeri en Koerden. Maar wat ooit een levendig handelscentrum was, is inmiddels verworden tot een modderig oord, vergeten en eenzaam, een nogal treurige uithoek. `Alleen gekken en slechte mensen kunnen gelukkig zijn in Kars.'

Het sneeuwt er onophoudelijk en de wegen zijn onbegaanbaar geworden. Zo afgesloten van de wereld zal het provinciestadje het toneel vormen van ongekende verwikkelingen. Letterlijk: in het Gewestelijk Theater krijgt de opvoering van een politiek geladen toneelstuk een schokkende wending als militairen het toneel betreden en het vuur openen op het publiek. We zijn getuige van een coup aan de vooravond van gemeenteraadsverkiezingen, die winst dreigen op te leveren voor een islamistische partij.

Dit is het decor van de nieuwe roman Sneeuw van de Turkse schrijver Orhan Pamuk, die eerder naam maakte met Ik heet Karmozijn en Het zwarte boek. De thematiek die zijn hele oeuvre kenmerkt – ook in dit boek – is de zelfbepaling van Turkije op het raakvlak van Oost en West. En bij het lezen van deze nieuwe roman, waarin veel plaats is ingeruimd voor de strijd om het geloof, is er geen ontkomen aan: de echo van de recente aanslagen in Pamuks eigen Istanbul klinkt door. Aan de hand van die botsing tussen het islamitisch geloof en opgelegd secularisme laat Pamuk niet alleen de onzekerheid van de vrome gelovigen zien, ook die van de wereldse westerlingen in en buiten zijn land.

Sneeuw vertelt het verhaal van de dichter `Ka', een afkorting van zijn echte naam, Kerim Alakuso^glu. Die leidt al twaalf jaar een kwakkelend bestaan in Frankfurt, een grauwe stad vol kantoortorens waar hij maar niet kan aarden. Het dichten wil ook niet lukken: af en toe spreekt hij in een vrijwel leeg Turks cultureel centrum, en daar blijft het wel bij. Zijn zelfgekozen ballingschap in Duitsland is een uitvloeisel van Ka's studentenactivisme in Turkije, dat hem in conflict bracht met de militaire autoriteiten.

Drie dagen lang volgen we Ka, die in Istanbul de begrafenis van zijn moeder bijwoont, en daarna op weg gaat naar Kars. Hij wil de verkiezingen verslaan voor de krant De Republiek. En hij is geïntrigeerd door het bericht dat in Kars een reeks tienermeisjes zelfmoord heeft gepleegd omdat ze door school werden gedwongen hun hoofddoek af te doen. Zo zitten we middenin de strijd tussen aanhangers van een vrome islam en de lokale autoriteiten, die het seculiere karakter van hun instituties tegen elke prijs verdedigen.

Behalve journalistieke nieuwsgierigheid zijn er andere beweegredenen die Ka naar deze uithoek doen reizen. Een aantal kennissen uit zijn studententijd is inmiddels verzeild geraakt in de provincie. Zijn reislust is vooral opgewekt door de mooie Ipek, over wie hij heeft gehoord dat ze gescheiden is. Wellicht kan hij haar verleiden met hem mee te komen naar Frankfurt om de eenzaamheid te verdrijven en, wie weet, om samen gelukkig te worden. In Kars zal Ka geen vrouw voor het leven vinden, maar wel zijn muze. Al is het kortstondig, de dichtader springt open. Het ene na het andere gedicht dringt zich aan hem op.

Met Sneeuw heeft Pamuk een urgent boek geschreven. Hij slaagt erin de vele verhaallijnen overtuigend te vervlechten en verstaat bovendien de kunst om het komische en tragische van de gebeurtenissen in elkaar over te laten gaan. De natuur is het verbindende element: `Ka realiseerde zich hoe klein en onbeduidend de menselijke verlangens en dromen, de politiek en de dagelijkse machinaties waren vergeleken bij de kou van Kars.' De gestaag vallende sneeuw laat de vertelling langzaam overhellen naar een beklemmende ontknoping.

Wat is hier de inzet? Pamuk laat zijn roman niet voor niets voorafgaan door een viertal motto's, die samen een indruk geven van de ambities waarmee hij als schrijver zijn werkelijkheid schept. Ze betreffen de psychologie van de personages, de inbreuk van de politiek in de letteren, de botsing van religie en Verlichting, en tenslotte de verwarring van de westerling. Daarmee is ook de gelaagdheid van Pamuks literaire onderneming aangegeven.

Het eerste motto luidt: `De gevaarlijke kant van de zaak is wat ons trekt: de eerlijke dief, de tedere moordenaar, de bijgelovige atheïst.' Het is ontleend aan Bishop Blougrams Apology van Browning. De morele dubbelzinnigheid die het citaat aangeeft, is wat Pamuk als verteller interesseert. De hoofdrolspelers in Sneeuw zijn stuk voor stuk behept met nogal tegenstrijdige eigenschappen, ze zijn het tegendeel van `mensen uit één stuk'.

Neem de hoofdpersoon Ka zelf, `iemand die zijn hoofd buigt voor het lot'. In het leven, vooral ook in de liefde, volgt de vrees voor al te veel geluk hem op de voet. Dreigt hij overmand te worden door hartstocht, dan kondigt zich een vermoeden van eindigheid onmiddellijk aan. Niet alleen de liefde ligt daardoor buiten zijn bereik, ook het geloof verwart hem ten diepste. De ongelovige Ka komt in Kars dichter bij de religie. `Er zat iets van hovaardij in mijn ongelovigheid', biecht hij op. `Maar ik wil nu geloven in de God die buiten de prachtige sneeuw laat vallen. Er is een God met oog voor de verborgen symmetrie van de wereld, een God die de mensen beschaafder en verfijnder zal maken.' Hij beseft hoe ver hij afstaat van de traditie die hem omringt, maar zijn zoektocht smoort in halfhartigheid.

Pamuk beziet zijn held met sympathie. Ook in het portret van de leider van het kemalistisch geïnspireerde toneelgezelschap, Sunay Zaim, wordt de morele verwarring duidelijk. Sunay, een oude bekende van Ka, staat voor een generatie van studentenactivisten die gaandeweg het spoor bijster is geraakt. Zijn toneelcarrière is geknakt nadat de toezegging is ingetrokken om Atatürk in een film te spelen. Nu speelt hij op het toneel van de provinciale werkelijkheid een staatsman, een rol die zijn ondergang zal betekenen. Hij wordt tot medeorganisator van de coup en staat beneveld door de raki orders uit te delen.

Zo wemelt het in Sneeuw van de `tedere moordenaars', `bijgelovige atheïsten' en nog veel meer. Hun halfslachtigheid verhoudt zich uiteindelijk maar slecht tot de ondubbelzinnigheid van het partij kiezen, waartoe ze worden gedwongen. Aan de strijd om de macht valt niet te ontkomen. Pamuks tweede motto is ontleend aan Stendhal: `Politiek in een literair werk is als een pistoolschot tijdens een concert: ongepast maar niet te negeren. We gaan het nu hebben over heel kwalijke zaken...' Want ook al laten de gebeurtenissen in Kars zich bij vlagen lezen als een klucht, het is toch op zijn minst een bloedige klucht. De politieke werkelijkheid van het hedendaagse Turkije, gebroken door het prisma van een provinciestad, is wreed. Er kan niet worden gezwegen, oog in oog met het machtsmisbruik en het geweld in het land.

In de drie dagen dat hij in Kars verblijft, raakt Ka verwikkeld in een web van intriges. In de provinciestad wemelt het van de verklikkers, meelopers en samenspanners. Het is een door en door paranoïde wereld waarin Ka zich aanvankelijk onthecht beweegt, maar die hem uiteindelijk verteert en uitkotst. De dichterlijke distantie is niet te handhaven, hij wordt meegezogen in de draaikolk van de gebeurtenissen. Zoveel is duidelijk: de bezoeker uit het verre Frankfurt met zijn fraaie muisgrijze mantel hoort hier niet thuis, maar aan de corruptie kan ook hij zich niet onttrekken.

De ruimte voor het komische wordt in Sneeuw geopend door het verschil tussen de korte tijdspanne van de politiek en de veel langere adem van de samenleving: onder de partijdige chaos gaat de stroom van het dagelijkse leven door – en daarom moeten islamisten, nationalisten, secularisten, militaristen niet al te serieus worden genomen. Ze komen en gaan. Pamuk construeert in de benauwenis van de ingesneeuwde stad een tableau de la troupe, dat met al zijn grootse woorden en verklaringen vooral op de lachspieren werkt.

De clandestiene vergadering in hotel Azië, van alle fracties die tegen de coup zijn, ontaardt bijvoorbeeld volkomen. Ze zijn bijeengekomen om een verklaring op te stellen, maar al over de aanhef vliegen ze elkaar in de haren. Het eerste concept luidt: `Bericht aan de Europese Publieke Opinie over de Gebeurtenissen in Kars.' Genoeg hoofdletters zou je zeggen, maar de islamisten zijn tegen. Waarom zouden ze zich eigenlijk tot Europa richten? Dat staat toch niet aan hun kant en zal toch een vijand van de islam blijven. Nee, het moet zijn: `Bericht aan de Gehele Mensheid...' Enzovoorts.

En toch, ergens tijdens de bespreking merkt een jonge gedreven Koerd op, alsof hij de blik van de buitenstaander voelt: `Als je een individuele armoedzaaier tegenkomt, heb je daar medelijden mee. Maar als een hele natie arm is, denkt de hele wereld onmiddellijk dat die natie dom, achterlijk, lui, vies en tot niets in staat is. Daar hebben de mensen geen medelijden mee. Hun cultuur, hun tradities en gewoonten worden belachelijk gevonden.'

Precies op dat punt wil de schrijver Pamuk tussenbeide komen en duidelijk maken dat een samenleving die enkel is gebouwd op verwerping van tradities, niet levensvatbaar is. Daarom moet een andere laag van de werkelijkheid worden blootgelegd: het conflict tussen Verlichting en religie. Dat is het echte drama. Het derde, sarcastische motto, afkomstig van Dostojevski, verwijst daarnaar: `Vernietig het volk, verdelg het, snoer ze de mond. Want de Europese verlichting is van veel groter belang dan het volk.' Het komt uit de Aantekeningen bij De gebroeders Karamazov. En Pamuk zegt het Dostojevski op een geheel eigen manier na: Verlichting en onderdrukking zijn in de stad die hij beschrijft, een heilloos verbond aangegaan.

Zoals de politieke bijeenkomst in hotel Azië de komedie in Sneeuw ten top voert, daar laat eerder in het boek een woordelijk uitgeschreven gesprek tussen een schooldirecteur en zijn fundamentalistische moordenaar de tragedie in volle omvang zien. In deze ontmoeting tussen de directeur, die met hulp van de politie zijn school gesloten houdt voor meisjes met een hoofddoek, en de islamitische activist die zich beroept op de vrijheid van godsdienst, wordt de fatale logica van beide posities glashelder. In deze dialoog van doven (de lezer weet dan al hoe het gaat aflopen, met een moord, een voorkennis die het gesprek een geweldige lading geeft) zien we de `Verlichting' en het `volk' op elkaar botsen.

Pamuk zegt daarmee iets over heel Turkije. De modernistische omwenteling van Kemal Atatürk in de jaren twintig van de vorige eeuw was een revolutie van boven: de verwestersing van het land werd aan de bevolking opgelegd. Het Latijnse schrift werd ingevoerd, de islamitische hoofddoek afgelegd. Het was een ingrijpende breuk met het verleden, waarmee de toegang tot de eigen tradities werd belemmerd. Zo komt de import van de Verlichting in conflict met het idee van zelfbeschikking door het volk. Zoals Kadife, de zus van zijn geliefde Ipek, zegt tegen Ka: `Hier houdt opstandigheid niet in dat je je hoofddoek wegsmijt, maar juist dat je hem omdoet.'

In dat krachtenveld vindt het `eerste en laatste gesprek tussen moordenaar en vermoorde' plaats, zoals het gruwelijke hoofdstuk is getiteld. De aanstaande moordenaar stelt de vragen, nadat hij bij zijn slachtoffer is aangeschoven in lunchroom Het Nieuwe Leven: `Kun je met een gerust geweten inslapen na die ene dag dat de meisjes door de politie weggesleept werden, en in de cel gesmeten? Dat is wat ik je wil vragen. / Die hele hoofddoekenaffaire is verworden tot een symbool, een politiek spelletje. Dat is waar die meisjes pas echt ongelukkig van worden. / Een spelletje, meneer de professor? En dat meisje dan, dat tussen haar opleiding en haar eer zo heen en weer geslingerd werd dat ze er depressief van werd en zelfmoord pleegde? Noem je dat een spelletje?' / `Je bent razend, mijn jongen.' De directeur van de lerarenopleiding raakt langzaam in paniek, want hij beseft tegenover iemand te zitten bij wie rede en agressie makkelijk in elkaar overgaan, net als bij de autoriteiten waarop hij zichzelf beroept.

Niet alleen de vrome gelovigen in Sneeuw zijn onzeker, ook hun tegenstrevers zijn uit het lood geslagen. `De westerling in mij was van streek', luidt Pamuks laatste motto, afkomstig uit Joseph Conrads Under Western Eyes. Het bezoek aan Kars is een ontregelende ervaring geweest voor de bezoeker uit Istanbul. Hij heeft heel wat gevestigde ideeën moeten overwinnen, vooroordelen terzijde moeten schuiven, om goed om zich heen te kunnen kijken. Wat bezielt een meisje als Teslime, die zelfmoord pleegt omdat ze niet met haar hoofddoek de school binnen mag? Wat zoekt Necip, een leerling van de imamschool die droomt van het schrijven van een islamitische sciencefiction roman?

Vooral in het portret van Necip, die bij de theatercoup door een kogel in zijn oog wordt getroffen en zo het leven laat, proeven we sympathie voor de vrome moslims. Pamuk wil de geloofsbeleving van deze opstandige jongen begrijpen. De passages die de ontmoeting tussen Ka en deze Necip beschrijven zijn de meest ontroerende van de roman. Hij ziet Necip terug in het mortuarium: `Hetzelfde kinderlijke gezicht. Dezelfde lippen, getuit als bij een kind dat om iets vraagt. Ka voelde hoe koud en stil het ziekenhuis was. Dezelfde jeugdpuistjes. Dezelfde benige neus. Hetzelfde smoezelige studentenjasje.'

De `westerling' Ka is door deze jonge bekeerlingen in de war geraakt. Helemaal op het einde van zijn roman laat Pamuk zien dat hij zich bewust is van de onontkoombare dilemma's van de ongelovige grootstedeling die de leerstellige provincialen wil doorgronden en daarmee op het spoor komt van zijn eigen impasse. Fazil, een vriend van Necip die ook op de imamschool zit, vraagt aan de verteller of hij iets aan de roman mag toevoegen. Eerst weet hij niet precies wat, maar uiteindelijk zegt hij met nauw verholen woede: `Van zo'n afstand kan niemand ons begrijpen.' Het is genoteerd en daarmee blijft de twijfel tot het einde voortbestaan.

Eerder had Fazil zich al verweerd tegen de blik uit het Westen, allereerst uit het Westen van Turkije: `Ik pas ervoor te worden als iemand die ze met een neerbuigend lachje aan hun hart kunnen drukken.' Begrijpen kan al te snel eindigen in bevoogden, mededogen in kleineren. Die cirkel kan alleen worden doorbroken door meerdere menselijke stemmen te laten klinken, in al hun tegenstrijdigheid. Dat is een van de redenen waarom niet alleen Sneeuw maar alle romans van Pamuk zo drukbevolkt zijn: meerstemmigheid maakt elke naïeve gedachte over een vaste `identiteit' onmogelijk.

De vierenveertig betrekkelijk korte hoofdstukken van deze beklemmende, en belangrijke, roman worden bijeen gehouden door een verteller, die zo nu en dan uit het raam van de vertelling stapt en op de voorgrond treedt. De verteller is zelf een schrijver, die op zoek gaat naar de gedichten die Ka tijdens zijn verblijf in Kars heeft geschreven en die verloren zijn gegaan na diens omgelukkige terugkeer naar Frankfurt.

Orhan Pamuk is een tamelijk cerebrale schrijver. Het theatrale van de verwikkelingen zoals we die meebeleven in de sneeuwstad, is maar al te duidelijk. Die distantie is in dit Turkije waarschijnlijk ook een manier van zelfbescherming: `In een wreed land als het onze, waar een mens niet telt, is het dom om jezelf voor je overtuigingen, te gronde te richten', merkt Ka op. Toch blijft het daar niet bij: ook de verteller komt aangedaan uit het avontuur tevoorschijn. Net als Ka heeft het bezoek aan Kars ook zijn beeld van de wereld op losse schroeven gezet. Inderdaad: de westerling in hem, en ook die in ons, is van streek.

Orhan Pamuk: Sneeuw. Vertaald door Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden.

De Arbeiderspers, 471 blz. €27,50

    • Paul Scheffer