Nieuw geluk als grootste geluk

De literatuur van de noordelijke landen heeft sinds de negentiende eeuw het patent op de familiegeschiedenis, de saga, de trilogie. Romans over de lotsverbondenheid tussen personages, liefst binnen een en dezelfde familie, en dan dwars door vele generaties heen. De Deense schrijver Jens Christian Grøndahl (1959) lijkt een nieuwe variant op dat zo Scandinavische alleenrecht te hebben gevonden. Verwantschap als die tussen moeders en dochters of vaders en zonen zegt hem niet zoveel, getuige eerdere prachtige boeken als Stilte in oktober en Lucca. Hij concentreert zich op exploderende verhoudingen, op een liefde die geen harmonie zoekt maar juist en vaak ongewild de disharmonie vindt. Kortom: overspel is zijn thema.

In zijn nieuwe roman Veranderend licht stort de wereld van de vijftigjarige Irene Beckman in wanneer zij ontdekt dat haar man een tijdlang een verhouding heeft met een jongere vrouw. Als Martin dat tijdens een familiediner meedeelt, komt voor beide volwassen kinderen de klap hard aan, maar zij vergeven hem deze faux pas wonderlijk snel. Sterker: ze zien er zelfs de rechtvaardigheid van in. Het al jaren durende huwelijk tussen vader en moeder ontbeert nu eenmaal de vlammende passie van het begin. De empathie van de kinderen staat in schril contrast tot de wanhoop van moeder Irene, een meer dan zelfstandige vrouw en bovendien een echtscheidingsadvocate. Zij heeft altijd in vrijheid en weelde geleefd, maar nu wordt de bodem onder haar voeten weggeslagen.

Grøndahls romantechnische kracht ligt in de langzame opbouw. Met een oneindig scala aan details, vermoedens, bange voorgevoelens en voortekenen suggereert hij de angst van Irene voor de aanwezigheid van die andere vrouw in het leven van haar man, op zijn kantoor en zelfs in hun huis. In een van de spannendste scènes uit het boek komt Irene onverwacht vroeger thuis uit haar werk. In de gang, woonkamer en op de trap naar de badkamer treft ze een spoor van vrouwenkleren aan; eerst schoenen, een jurk, kousen en zelfs voor de badkamerdeur ondergoed. Net als in een film monteert Grøndahl sequentie na sequentie. Totdat blijkt dat haar eigen dochter, die stewardess is, onder de douche staat. Irene is in de greep van de angst.

De roman bestaat uit drie delen: `Van morgen naar gisteren', `Een vreemd gevoel van vrijheid' en `Op een vlot in de lagune'. Deze drie titels verbeelden de drie stadia van het verwerken van verdriet. Op het ogenblik dat de bijl van ontrouw in het huwelijk valt, bestaat er geen morgen meer, alleen nog een geïdealiseerd gisteren. Het grootste geluk is nieuw geluk, zegt Grøndahl. Bestendig geluk bestaat kennelijk niet. De verwarrende ervaring van vrijheid na de echtbreuk bepaalt de toon van het tweede deel. In het slotdeel komt Irene tot het inzicht dat zijzelf haar leven opnieuw kracht en betekenis moet geven, desnoods alleen, desnoods met een ander.

Meer dan in ander werk is Grøndahl in Veranderend licht polemisch; zo hekelt hij op onvergetelijk vinnige wijze de jaren zestig en zeventig met hun vrije liefde. Ontrouw en overspel waren de gewoonste woorden, die Irene allang uit haar vocabulaire heeft verbannen, totdat ze opeens via haar mans nieuwe liefde opnieuw op deze harde waarheid stuit: `Ontrouw. Op een gegeven moment was dat woord weer in de taal geslopen toen zij tijdens een zomer een affaire had met Thomas Hoppe in een vreemde woning in de binnenstad. Op de een of andere manier was tenminste een voorstelling van law and order hersteld, ook al waren Martin en zij de laatsten in de vriendenkring die nog niet gescheiden waren. Waarom zijn ze niet allang gescheiden?'

Deze zin is een toonbeeld van een Grøndahl-zin. Een bewuste vaagheid door de onbepaalde lidwoorden: `een gegeven moment', `een zomer', `een vreemde woning' en `een affaire' in contrast tot de pijn van het overspel. Hij is ook een schrijver die telkens nieuwe deuren opent. Zo komt Irene erachter dat de man die ze altijd als haar vader beschouwde niet haar werkelijke vader is; de laatste is een joodse violist die in Wenen woont. Opeens lijkt er halverwege Veranderend licht een nieuwe roman te beginnen, namelijk een waarin het motief van de Vatersuche overheerst. De echtbreuk raakt op de achtergrond.

De geraffineerde eenheid in Grøndahls romans is een muzikale eenheid; er is een grondtoon waarop hij naar believen kan variëren. Veranderend licht gaat over pijnlijke veranderingen in iemands leven, zoals de titel aangeeft. Een echtgenoot is niet trouw; kinderen blijven niet voor altijd thuis; een vader is geen echte vader. Vertaler Gerard Cruys heeft dat motief in zijn vertaling een krachtig accent gegeven. De laatste zin gaat over een mensenleven dat is als een hart van populierenhout `dat kan trillen en weerklinken van alles wat er passeert'. Dat passeren is schitterend dubbelzinnig. Het betekent zowel voorbijgaan als gebeuren. Het genadeloze slot van een grootse roman.

Jens Christian Grøndahl: Veranderend licht. Uit het Deens vertaald door Gerard Cruys.

Meulenhoff, 301 blz. €19,50

    • Kester Freriks