Mijn vingers trillen nu niet meer

Het is bijna een cliché geworden de schrijver Lodewijk Henri Wiener (1945) onderschat en miskend te noemen. Al sinds de verhalenbundel Seizoenarbeid (1967) heet Wiener een `writers writer' te zijn. Pas vorig jaar brak hij door bij een breder publiek met het schitterende Nestor, het eigenzinnig vormgegeven fictionele levensverhaal van de schrijver. Nu zijn er de gebundelde verhalen, een eerste, ontzagwekkend deel. Om de kwaliteit van dit sonore en karige, maar rake proza, diep gekweld zonder pathetisch te worden, kan niemand meer heen.

In `Reiger' – een van de gedichten waarmee de verhalen worden onderbroken – vindt iemand een stervende reiger, neemt hem in zijn armen. `Zijn hart eerst stompend in mijn hand/ Daarna stikkend/ En stil// Ik was wel een beetje radeloos/ Toen ik het allemaal begreep.' Zo voelde ik mij na lezing van deze verhalen. Nu Wieners eerste vijf bundels in één band zijn heruitgegeven, ontvouwt zich de wordingsgeschiedenis van een schrijverschap en een levensverhaal, zodat je als lezer `een beetje radeloos' bent, omdat je het allemaal begrijpt.

De verhalen fungeren als bouwstukjes, zoals Wiener het in een voor deze uitgave geschreven voorwoord uitdrukt, `in het grote literaire mozaïek dat zich gedurende veertig jaar schrijverschap omtrent mijn leven – mijn werkelijkheid – heeft geformeerd'. Hij schreef zijn verhalen tegen de verdrukking in. Zijn bundels werden verramsjt, volgens hem omdat in Nederland alleen romans mee schijnen te tellen. Toen hij echter, onder druk gezet door zijn eerste uitgever Meulenhoff, met de roman Zwarte vrijdag (1967) kwam, betrof het volgens Wiener een `inferieur werk' dat beter niet gepubliceerd had kunnen worden. Hij hield er een `roman-fobie' aan over.

Deze mededeling staat in het onthullende boekje Een handdruk en een vuist, waarin de briefwisseling tussen de auteur en uitgever Geert van Oorschot is opgenomen, voorzien van persoonlijke commentaren van Wiener. Van Oorschot publiceerde jarenlang Wieners verhalen in zijn tijdschrift De Revisor, sprak de met faalangst behepte schrijver moed in en nam hem ten slotte van Meulenhoff over. Wieners derde bundel, Man met ervaring (1973), verscheen bij Van Oorschot, maar voor de verkoopcijfers maakte dat weinig verschil. Op 20 november 1973 klaagt Wiener bij zijn uitgever dat deze niet met zijn boek adverteert. Een dag later antwoordt Van Oorschot dat hij een advertentie zal plaatsen in De Revisor, maar daar weinig heil in ziet. `Van de oplage van 2000 exx. Zijn er nu bijna 1300 verkocht. Ik geloof dat ik je daarmee mag feliciteren.'

Rampen

Kort daarop voltrekt zich een aantal persoonlijke rampen in Wieners leven. Echtscheiding – zijn vrouw verlaat hem omdat zij constateert dat hij gek is –, de dood van zijn vader. Uit de brieven valt op te maken dat hij in een zware depressie belandt. In zijn eigen woorden: `In de chronologie van mijn publicaties valt er in de periode 1974 tot 1979 een nogal zwart gat. Ik woonde toen op de bodem van de fles en was niet meer in staat om een verhaal van iets langere adem te schrijven.' Pas in 1980 komt een nieuwe bundel, Bomen die te mooi zijn moeten worden omgezaagd.

Een grote verrassing is dat Wiener in De verhalen, anders dan in de eerdere verzamelbundel Misantropenjaren (1990), niet heeft geschroomd ook zijn vroegste werk uit Seizoenarbeid en Duivels jagen, op te nemen. Verhalen waarin hij `paranoia en schizofrenie tot hun uiterste grenzen verkent', maar die hij voorheen als `beginnerswerk' afdeed. Juist deze verhalen heb ik ademloos herlezen. Al Wieners latere thema's, zijn obsessies en tragiek, zijn erin geboekstaafd, indringender en ook stilistisch vaak beter dan in zijn naar mijn smaak te `ikkerige', te dicht op de werkelijkheid geschreven, recentere werk.

Neem `Jansen' uit Seizoenarbeid, waarin een Zandvoortse restauranthouder zich schuldig maakt aan antisemitisme jegens de ikfiguur, die zoals in de meeste verhalen Henri heet. Dit verhaal is vooral bekend geworden omdat indertijd een horeca-uitbater zich in een romanpersonage meende te herkennen en van de rechter gedaan kreeg dat het boek uit de handel werd genomen en in volgende drukken moest worden `aangepast'. Dat heeft Wiener gedaan, maar de essentie van het verhaal, de naoorlogse jodenhaat in de deutsch-freundliche badplaats en de effecten daarvan op het gemoed van Henri blijft recht overeind staan.

Wiener is opgegroeid in Zandvoort als kind van een joodse vader met een dramatische geschiedenis. Uit vrijwel alle verhalen blijkt dat hij van jongs af aan gekweld is geweest door het lot van zijn familie, dat hij voor het eerst in Nestor expliciet beschreef. Het sterkst komt de joodse thematiek naar voren in `Vier mei', `Jachttafereel', `Duivels jagen' en vooral `Paranoia judaica' waarin een hartverscheurend portret van Henri's oudere broer wordt geschilderd. Die verzamelt wapens en bouwt ondergrondse onderduikplekken. Henri sluit zich op andere manieren af van de wereld waarin hij één groot complot ziet.

Een voordeel van het achter-elkaar-lezen van de bijna vijftig bijeengebrachte verhalen, is dat zo pas goed zichtbaar wordt hoe ingenieus ze naar elkaar verwijzen, hoe dezelfde gebeurtenissen steeds op een andere manier worden vorm gegeven. In het eerste verhaal, `Uit het dagboek van een kleine jongen' (1964), zien we hoe de `ik' langzaam tot waanzin wordt gedreven, omdat naar zijn overtuiging alle mensen iedere dag opnieuw samenspannen om hem ergens in te laten tuinen. Hij verzamelt daar dermate krachtige bewijzen voor, dat je de jongen op zijn woord gelooft. Vele jaren later, in `De koffiekamer van de UB te Amsterdam' (1980) ontmoet de ikfiguur een kennelijk schizofreen meisje dat precies zo denkt en niet te redden valt. `Ik kon me haar wanhoop indenken; als je van mening bent dat de hele wereld om je heen onecht is en slechts bedoeld als een decor waarbinnen jij machteloos ronddoolt.' Overigens laat hij het meisje barsten – zoals men met hem als kind heeft gedaan – en wat kan hij ook anders?

Vasthou-ziekte

Beklemmend en steengoed zijn vooral de vroegste verhalen van Wiener, waar de wanhoop en de gekte vanaf spatten. Naarmate hij realistischer wordt en zijn verhalen veelal de vorm van dagboeknotities aannemen, verliest het proza aan spanning en kracht. Aan Geert van Oorschot legde hij in april 1972 uit waarom hij koos voor deze vorm. Hij noemde dat de drang om herinneringen vast te leggen. `Ik denk dat de vasthou-ziekte mij steeds meer gestuwd heeft in de richting van autobiografiese verhalen; de ,,ikken'' hebben geleidelijk meer van mij weg gekregen en de ten tonele gevoerde situaties zijn ook steeds vaker werkelijk door mij beleefd.'

Tegenwoordig definieert hij zijn ideale vorm van literatuurbeoefening anders. In het voorwoord bij De verhalen schrijft hij ernaar te streven alle beschikbare literaire genres onder één noemer te brengen, `resulterend in een literaire legering waarbinnen werkelijkheid en fictie versmelten tot een nieuwe onomstotelijke waarheid'. Wie de onomstotelijkheid van Wieners waarheid wil ervaren, leze niet alleen de twee hier besproken boeken, maar vooral de roman Nestor, waarvoor hij volgende week de Bordewijkprijs 2003 krijgt.

L.H. Wiener: De verhalen. Deel 1. Contact, 424 blz. €22,50

L.H. Wiener: Een handdruk en een vuist. L.H. Wiener - G.H. van Oorschot (1966-1982). Reservaat, 69 blz. €14,50