In de slag met de sultan

Reeds vanaf de jaren 1620 was de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) op Java in een strijd verwikkeld met het sultanaat Mataram om de beheersing van het eiland. De VOC wilde greep krijgen op de economie van Java in verband met de levering van rijst en hout. Het lukte echter niet om Mataram te verslaan. Het Javaanse vorstenhuis bood hardnekkig verzet. In 1755 ging de Compagnie uiteindelijk akkoord met een noodoplossing. Het kwam tot een verdrag, waarbij Mataram werd opgedeeld in twee afzonderlijke sultanaten, terwijl de noordkust met de belangrijke havens toeviel aan de Compagnie.

Over deze belangrijke gebeurtenissen verscheen onlangs een tekstuitgave. Zij bestaat uit gedeelten van de memoires en het dagjournaal van Hendrik Breton, die namens de VOC in 1754 de onderhandelingen met Mataram voerde. Breton beschrijft fraai hoe moeilijk de onderhandelingen met de onvoorspelbare Javaanse vorst verliepen. Breton, die in 1735 als lichtmatroos naar Indië was gevaren, maakte een prachtige carrière. Tijdens zijn missie naar Mataram werd hij tweede resident (in feite een soort ambassadeur) aan het hof van Surakarta. Hij bracht het uiteindelijk tot directeur-generaal, de op een na hoogste ambtenaar in de Indische bestuurshiërarchie. Zijn loopbaan eindigde in mineur toen hij in 1783 betrokken raakte bij een financieel schandaal. Hij keerde in 1783 gedesillusioneerd naar Nederland terug om bij de rechter eerherstel te zoeken – wat niet lukte. Over deze onfortuinlijke episode gaat het tweede deel van het boek. Het bevat Bretons gepassioneerde verweer.

Hoe interessant Bretons tekst ook is, deze uitgave schiet toch tekort. De inleiding blijft steken in een onsamenhangend verhaal over de Javaanse hofpolitiek. De bezorgers hebben hun hoofdpersoon, zijn carrière, de politiek van de VOC, het akkoord van 1755 en het financiële schandaal van 1783 niet nader onderzocht. Annotatie ontbreekt, terwijl het verhaal alleen goed te begrijpen valt wanneer personen, gebeurtenissen en de historische context goed worden uitgelegd. De literatuurlijst is schamel en slordig. En dat terwijl die er volop zijn. Ook de noodzaak van een `hertaling' is niet duidelijk; het achttiende-eeuwse Nederlands is namelijk heel goed te lezen. Eigenaardig is de pretentie van de bezorgers een unieke vondst te hebben gedaan in het archief van het Historisch Genootschap; een versie van het manuscript bevindt zich ook in het Nationaal Archief. Vreemd is ook de ondertitel: `ofwel de duistere zijde van de VOC' Alsof we oorlog en diplomatie voortaan moeten beschouwen als `de duistere zijde' van de geschiedenis. En alsof er over de privé-handel, corruptie en zelfverrijking van de ambtenaren van de VOC nooit iets is geschreven. Niets is minder waar.

Anne Doedens en Liek Mulder (bezorging): De memoires van Hendrik Breton ofwel de duistere zijde van de VOC. De Prom, 175 blz. €16,95