Een medische zedenkomedie

Het aantal romans dat zich in een ziekenhuis afspeelt, valt in het niet bij de hoeveelheid medische soaps op televisie; en ziekenhuiskomedies zijn in de literatuur helemaal dun gezaaid. Ruim baan dus voor schrijvers die het literair potentieel van het hospitaal, de microkosmos van een verziekte wereld, wél onderkennen. De roman Zorg van arts-debutant Miquel Bulnes (1976) schetst niet alleen een leerzaam – en hopelijk karikaturaal – portret van de Nederlandse gezondheidszorg, maar is bovendien een vermakelijke en vlot geschreven moderne zedenkomedie.

Bulnes' grote voorbeeld is ongetwijfeld Jay McInerney. Net als Bright Lights, Big City (1983) van de Amerikaanse satiricus is Zorg in de jij-vorm geschreven – een stilistische truc die na een paar bladzijden niet meer stoort en die je direct bij het verhaal betrekt. Daarbij introduceert Bulnes dezelfde soort aandoenlijke slachtoffers-van-het-moderne-leven waarvan het in het oeuvre van McInerney wemelt. Met dien verstande dat ze aan het blitse bestaan nauwelijks toekomen: het werk in het ziekenhuis, met zijn moordende dienstroosters en afstompende bureaucratie, maakt een gezond (uitgaans)leven onmogelijk. `Hoe denk je ooit goed voor anderen te kunnen zorgen als je niet eens voor jezelf kunt zorgen', luidt het niet zo verborgen motto van de roman.

Hoofdpersoon (en jij-figuur) van Zorg is een 27-jarige chirurge in opleiding – rad van tong, snel van geest, sarcastisch tot op het bot. In een laconieke stijl registreert ze de teleurstellingen, de gruwelijkheden en vooral de absurditeiten van het artsenbestaan. Ze vertelt over de tirannieke `überchirurgen' en over de steeds hoger worden `dicteerbergen' met niet afgesloten medische dossiers. Ze beschrijft even geestig als plastisch het afzetten van een been en het weghalen van een blindedarm. En passant komt de leek te weten waarom KNO-artsen cocaïne gebruiken bij operaties (doet de vaatjes in de neus samentrekken, wat het bloeden tegengaat) en waarom de thermostaat op de polikliniek oogheelkunde altijd op zestien graden staat (`dat werkt sneller – dan trekken de mensen hun jas niet uit').

De humor van Zorg zit 'm niet alleen in de verhalen van alledaagse waanzin (zoals het bestaan van een wachtlijst voor wachtlijstbemiddeling), maar vooral in de herhaling. Bulnes toont zich een meester van de running gag – of het nu het steeds wisselende eufemisme voor `een hopeloos geval' is of de terugkerende filosofietjes die beginnen met de woorden `Er zou een woord moeten zijn voor...'

Stilistisch plaatst Bulnes zich ergens tussen Grunberg (met zijn alinea's vol creatief herhaalde formuleringen) en Giphart (met zijn flierefluitende spreekstijl). Compositorisch mankeert er aan Zorg nog wel het een en ander. Zo is het heel lang niet duidelijk waar het boek heengaat, en stelt de `ontknoping' teleur. Het lijkt erop dat Bulnes zich te laat heeft gerealiseerd dat ook een satire niet zonder plot kan; en dat één halfrond karakter te mager is voor 230 bladzijden. Er zou een woord moeten zijn voor romans die niet perfect zijn, maar die je wel een hoop leesplezier bezorgen.

Miquel Bulnes: Zorg.

Vassallucci, 236 blz. €15,95