De wellust wint moeiteloos

In een serie vertaalde klassieken deze week `De monnik' van Matthew Gregory Lewis (vertaald door Ineke Mertens. Ingeleid door Ivo Gay. Voltaire. 430 blz. euro 24,90).

Volgens de markies de Sade, schrijvend in 1800, was de roman The monk van Matthew Gregory Lewis `in alle opzichten superieur' aan het werk van Ann Radcliffe. Helaas zei Sade er niet bij waarom. Wèl legde hij uit waarom de zogenaamde `Gothic novels' die beiden schreven zo populair waren geworden. Dat zou door de `revolutionaire schokken' van de laatste jaren zijn gekomen. Het publiek had zelf al zoveel ellende meegemaakt dat een schrijver, wilde hij zijn lezers raken, welhaast gedwongen was om bij `de hel' aan te kloppen.

Op zijn beurt had Lewis (1775-1818) ook wat te danken aan de Franse Revolutie. In 1791 was hij, zeventien jaar oud, met het oog op een diplomatieke carrière naar Parijs gestuurd om Frans te leren. Maar meer nog dan van de taal raakte hij er onder de indruk van het revolutionaire theater, waarin (net als in The monk) onschuldige meisjes tegen hun zin in het klooster verdwenen of onder de grond op een rantsoen van water en brood werden gezet.

Zijn roman ontstond overigens pas in 1794, na een reis naar Goethes Weimar om ook Duits te leren, toen Lewis als attaché van de Britse ambassade in Den Haag verbleef. Om de verveling te verdrijven had hij `in tien weken tijd' (zo lezen we in een brief aan zijn moeder) The monk geschreven. In 1796 volgde de publicatie in drie delen. Het boek werd een succes, ondanks of juist dankzij alle kritiek. Vooral Coleridge wond zich op. Hoewel hij Lewis bepaalde kwaliteiten niet wilde ontzeggen, vond hij diens roman ongeschikt voor minderjarigen. Onbegrijpelijk dat zoiets immoreels uit de pen van een `wetgever' was gevloeid! Dat laatste sloeg op Lewis' lidmaatschap van het Engelse parlement, een cadeautje voor zijn eenentwintigste verjaardag. Om zijn eer te redden of een proces te voorkomen besloot Lewis zijn roman, bij de vierde druk van 1798, te censureren.

Wat liet hij weg? Allereerst alle expliciete erotische verwijzingen. Want er zit nogal wat seks in The monk, nu bij uitgeverij Voltaire vertaald als De monnik. Hoofdpersoon is de schijnheilige monnik Ambrosio, die met zijn preken heel Madrid aan zijn voeten krijgt, maar die als hij in bekoring wordt gebracht verrassend snel voor de bijl gaat. De wellust wint moeiteloos, en dat wordt door Lewis tamelijk onbedekt beschreven. Ongetwijfeld is het dit elementaire geweld van de begeerte geweest, dat Sade (net als nadien de surrealisten) in de roman zal hebben aangesproken.

Maar ook het opvallende antiklerikalisme moet hem deugd hebben gedaan. Dat Ambrosio op het slechte pad raakt, komt namelijk door zijn kloosteropvoeding. Die heeft zijn karakter misvormd, door zijn hoogmoed en ijdelheid aan te moedigen, maar elke seksualiteit te ontkennen. En juist daardoor vielen de driften niet meer te beteugelen, suggereert Lewis.

Hier hoefde minder te worden geschrapt, omdat het katholicisme onder vuur werd genomen. Alleen een passage over het Oude Testament (dat wegens zijn openhartigheid vergeleken wordt met de `annalen van een bordeel') bleek ook voor het protestantse Engeland te gewaagd.

In Nederland moesten we ons tot voor kort behelpen met de – al lang uitverkochte – vertaling van een bewerking die Antonin Artaud ooit van Lewis' roman heeft gemaakt. Gelukkig is er nu een prima leesbare vertaling van de oorspronkelijke tekst verschenen, uiteraard mét de in 1798 gekuiste passages. Opnieuw blijkt The monk de meest enerverende van alle `Gothic novels' te zijn, al moet men niet schrikken van de merkwaardige, maar voor achttiende-eeuwse begrippen heel gebruikelijke compositie.

Zo wordt het relaas van Ambrosio en zijn snode lusten behalve door liederen en ballades ook geregeld onderbroken door `verhalen' uit de mond van andere personages. Het bontst maakt Lewis het op bladzijde 103, nadat Ambrosio en zijn demonische Matilda elkaar zojuist in de armen zijn gevallen. Na een korte inleiding begint de edelman Raymond te vertellen over zijn liefde voor Agnes, die tegen haar wil in een klooster zit opgesloten, en worden we onthaald op een spookgeschiedenis over de `Bloedende Non' en de `Wandelende Jood'. Pas op bladzijde 223 lezen we, nu weer over Ambrosio en Matilda: `De golf van extase was voorbij'. Dat moet wel een hele lange en hevige golf zijn geweest.

Eerlijk is eerlijk, de roman beantwoordt aan alle clichés van het `gotische' genre. Schijnheilige schurken, weerloze maagden, sombere kloosters en kastelen, lugubere gewelven, angstaanjagende spoken, incest, moord en doodslag – niets hiervan ontbreekt in de ingewikkelde intrige, vol potsierlijke onwaarschijnlijkheden. Maar op de een of andere manier doet het er niet toe. Zodra Lewis op stoom raakt, en dat gebeurt al snel (ook de lange uitweiding over de `Bloedende Non' pakt meeslepend uit), kun je het boek bijna niet meer neerleggen. The Monk is onweerstaanbaar als een solide B-film, dankzij spectaculaire scènes, een rudimentaire maar overtuigende karaktertekening en een verkwikkend gebrek aan goede smaak.

Als een van de slachtoffers in een crypte wordt opgesloten, dan zit ze daar ook te midden van de `rottende geraamten' en de `ontbindende, half vergane lijken' – dezelfde ambiance trouwens waarin Ambrosio even later de door hem bedwelmde Antonia (naar achteraf blijkt: zijn eigen zuster) zal verkrachten en vermoorden. Soft of sentimenteel kun je Lewis' griezelige melodrama niet noemen. Hetzelfde geldt voor de moraal, die Coleridge niet wist te herkennen, maar die erop neerkomt dat het kwaad allereerst in de mens zelf zit. Ambrosio wordt weliswaar in bekoring gebracht door de duivel en zijn verleidelijke handlanger, maar hij weet wat hij doet en tot een fataal verbond komt het pas op het nippertje, als de Inquisitie haar dodelijke vonnis al heeft geveld.

Lewis heeft het jammer genoeg bij één roman gelaten. Naderhand schreef hij nog wel diverse, in zijn tijd succesvolle toneelstukken en gedichten, voor een deel bewerkingen van buitenlandse originelen. Maar na de dood van zijn vader in 1812 was het afgelopen. Hij wijdde zich nog slechts aan de twee rietsuikerplantages op Jamaica, die hij had geërfd, en aan de lotsverbetering van de meer dan vijfhonderd slaven die daarbij hoorden. Tot tweemaal toe reisde hij naar de West, om persoonlijk orde op zaken te stellen. Op de terugweg van de tweede reis bezweek hij op 14 mei 1818 aan de gele koorts.

Toen in 1834 – postuum – het dagboek verscheen van Lewis' beide reizen, reageerde Coleridge (in zijn Table Talks) nu eens onverdeeld enthousiast. Dit was `verreweg zijn beste boek', oordeelde hij, het zou `levendig en populair zijn'. Een vergissing, kunnen we nu vaststellen. Want het enige boek dat de naam van Matthew Gregory Lewis voor de vergetelheid heeft behoed is The monk, de `immorele' roman die onder anderen Hoffmann, Hugo, Poe en Hawthorne zou beïnvloeden en die de auteur als negentien-jarige had geschreven om in Den Haag zijn verveling te verdrijven.

    • Arnold Heumakers