De concurrentie met onzin

De musea nemen kunstenaars en publiek steeds minder serieus, met al die thema- tentoonstellingen. Hun belangrijkste taak verwaarlozen ze dan ook schromelijk.

De tentoonstelling Neverland, gemaakt voor en door jongeren in het Museum voor Moderne Kunst te Arnhem, is genoemd naar het park rond het woonhuis van Michael Jackson. Dit is op zijn beurt vernoemd naar het Never Neverland van Peter Pan, `een wereld waar kinderen nooit opgroeien, waar zeemeerminnen zonnebaden en waar je kunt vliegen', aldus de Museumkrant van Arnhem. `Wie zou daar niet eens een kijkje willen nemen? Een wereld waarin een eigen waarheid is gecreëerd, waar een illusie tot leven is gebracht. Nu heb je die kans.'

Het Neverland van Jackson, een sprookjespark met draaimolens en dierentuin, waar ingehuurde mensen gratis ijsjes aan kinderen uitdelen, heeft een omineuze bijklank, vooral sinds de recente gebeurtenissen rond de popster, die beschuldigd is van seksueel misbruik van jongetjes. Maar toen was het Neverland in Arnhem al open. De tentoonstelling speelt in op een vraag van een groep jongeren van vijftien en zestien jaar die zeiden geïnteresseerd te zijn `in kunst die je meeneemt naar een andere sfeer, net als in de bioscoop'. De jongeren werden betrokken bij de keuze van het onderwerp en de inrichting. De tentoonstelling is weliswaar in eerste instantie gemaakt voor kinderen, maar is ook geschikt voor andere doelgroepen. Met Neverland, aldus de organisatie, `neemt het museum zijn (jongeren)publiek serieus'.

In Arnhem zijn door zes kunstenaars installaties gemaakt. Volgens de begeleidende tekst kunnen schilderijen verschillende sferen of ambiances tonen waarin men zich, met een beetje inlevingsvermogen, kan laten meevoeren. En in het directe verlengde daarvan zouden installaties kunstwerken zijn die een `complete omgeving' zijn waar je letterlijk doorheen kunt lopen. Nu zijn serieuze kunstwerken zelden bedoeld als sfeer waar de beschouwer zich in mee kan laten voeren. Zeker niet sinds de twintigste eeuw, toen de kunst bij uitstek zelfkritisch en maatschappijkritisch werd. Het verschijnsel van de installatie is juist ontstaan vanuit het streven van kunstenaars om zich te verhouden tot de werkelijke omgeving.

De meeste exposanten in Arnhem distantiëren zich dan ook van de Neverland-kunstopvatting. Met uitzondering van Jennifer Tee. Zij maakte een inderdaad tamelijk kinderachtige, verduisterde ruimte met veel ligkussens en filmpjes van middeleeuws-verklede kinderen die buiten een spel spelen. Tee verwoordt het Neverland-idee wanneer zij zegt dat zij `de mensen wil laten meevoelen met haar eigen verhaal'. De Belgisch-Marokkaanse Ben Benaouisse beoogt precies het tegenovergestelde. In zijn installatie brengt hij onder andere het Heizeldrama, het Lam Gods-retabel van Jan van Eyck en de rituele slachting van een schaap bij elkaar. Dit zijn elementen, zegt hij, die in de werkelijkheid niet tegelijkertijd voorkomen; en omdat de mensen het als geheel niet kunnen begrijpen, krijgen ze `de indruk van een leegte, een put die leeg lijkt te zijn. Dat is voor mij een neverland'. Niet bepaald een sprookjespaleis om in weg te dromen.

Virtuele danspartner

Ook de Israëlische, in Nederland wonende NiRiT wil de bezoeker juist niet meenemen naar een ander land. Zij nodigt hem uit om te dansen met een virtuele danspartner en hoopt dat hij zich hierdoor zal realiseren dat er op deze plaats, op dit moment, veel verschillende werkelijkheden tegelijk kunnen zijn.

De installatie van Gerald van der Kaap past op een ironische manier in het Neverland-concept. Van der Kaap maakte een Chill Cave, waar de bezoeker in een Chill Terminal kan gaan liggen om meditatief te chillen bij harde muziek en snelflitsende beelden van Van der Kaaps reizen naar Marokko en Brazilië. Deze Chill Cave is al in 1992 door de kunstenaar ontworpen en is door hem bedoeld als een geheel op zichzelf staande tentoonstellingsmodule. Het was zijn antwoord op het verschijnsel dat tentoonstellingen in toenemende mate attracties werden, met steeds langere rijen bezoekers, alsof ze naar een pretpark gingen. Van der Kaap beschrijft hoe er een wildgroei is ontstaan van groepstentoonstellingen met uiteenlopende, vage thema's, waardoor de betekenis van het kunstwerk er niet meer toe lijkt te doen. Die betekenis wordt ondergeschikt gemaakt aan het thema van de tentoonstelling. De Chill Cave is dus in zekere zin een wanhoopsdaad van een kunstenaar die zijn zelfstandigheid binnen een thematentoonstelling probeert te bewaren.

Te oordelen naar de teksten rondom de Neverland-expositie heeft de organisatie weinig van de bedoelingen van de kunstenaars begrepen. Ook is het maar de vraag of het museum met deze tentoonstelling zijn publiek serieus neemt. Want de organisatoren doen er alles aan om de jongeren te bevestigen in hun kinderlijke en begrijpelijkerwijs onjuiste opvatting van wat kunst is.

Neverland is een afspiegeling van de talrijke thematentoonstellingen die lustig voortwoekeren in museumland. Ze bevestigen de bestaande opvattingen van kunst bij een breed publiek en maken de kunst aan het thema ondergeschikt. Dit kan niet clichématig genoeg zijn. `Vier eeuwen rook in de kunst, Tabak en taboe: van Jan Steen tot Pablo Picasso' vanaf volgende week in de Kunsthal in Rotterdam; vier eeuwen bloemen in de kunst, binnenkort in het Noordbrabants Museum; vier eeuwen vis in de kunst, in het komend voorjaar in het Centraal Museum in Utrecht. Op de tentoonsteling `Bloemen van verlangen' in het Noordbrabants Museum `ontdekt u hoe de bloem verbonden is met onze emoties en onze zoektocht naar paradijselijke schoonheid'. Er zullen ook `artistieke experimenten van moderne kunstenaars te zien zijn, waarin zij hun persoonlijke visie geven op bloemen'. In het bericht wordt niet één kunstwerk of kunstenaar met name genoemd.

De oorzaak van dit verschijnsel is bekend. Musea moeten concurreren met pretparken. Ja, zelfs met Disney, als we de Engelsman Julian Spalding, een ex-museumdirecteur die vorige week Nederlandse museumdirecteuren heeft toegesproken, mogen geloven. Disney is `nu eenmaal de concurrent'. Wat een onzin. Het is niet te hopen dat de Nederlandse museumdirecteuren zich dit aan laten praten. Hoewel de gebeurtenissen niet veel goeds voorspellen.

De toegangsprijzen van musea zijn inmiddels schrikbarend gestegen: sinds 1995 maar liefst met 54 procent, volgens recente gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Een bezoek aan Museum Boijmans kost nu 7 euro, aan het Van Abbe 8,50 euro. En zelfs met een museumjaarkaart of een Cultureel Jongeren Paspoort moet de bezoeker meestal nog de helft van de entree betalen. Deze prijsstijging was nodig, aldus L. Boelhout, adjunct-direceur van de Nederlandse Museumvereniging, omdat de musea lange tijd veel goedkoper waren dan andere aanbieders in de vrijetijdsector, en omdat musea door de politiek gedwongen zijn commerciëler te werk te gaan.

Een vicieuze cirkel dus: musea moeten concurreren met `andere aanbieders in de vrijetijdsector', en daarom wordt de toegangsprijs duurder. Maar de situatie zou precies tegenovergesteld moeten zijn. Museumcollecties zijn ons gemeenschappelijk bezit en zouden voor iedereen gratis toegankelijk moeten zijn. Dan hoeven ze ook niet meer te concurreren met `andere aanbieders in de vrijetijdsector' en blockbusters zijn dan overbodig geworden. Dan zouden ze eindelijk weer kunnen doen waar ze voor bedoeld zijn: serieuze tentoonstellingen maken van een oeuvre, een stroming, een periode, waarbij de collectie als uitgangspunt dient.

Het spoor kwijt

Maar hier doet zich een probleem voor. De musea lijken het spoor inmiddels te zijn kwijtgeraakt. Onlangs verscheen het boek Waar een wil is... Een onderzoek naar het huidige educatiebeleid van beeldende kunstmusea. Aan het onderzoek, dat geïnitieerd is door het Museum Jan Cunen in Oss, deden vijf grote, vijf middelgrote en vijf kleine musea mee. Er blijkt uit dat de meeste musea educatie weliswaar serieus nemen, maar dat ze geen idee hebben wie de mensen zijn die hun musea bezoeken en wat hun kennisniveau en behoeften zijn. Geen van de musea weet aan te geven wat ze met educatie willen. Ze koppelen hun educatieprogramma's zonder meer aan het onderwijs, namelijk het basis- en voortgezet onderwijs. Het meest concrete waar de musea naar streven is dat ze leerlingen een aantal keren gedurende hun schoolperiode ontvangen.

Nu is het heel erg belangrijk dat leerlingen een aantal keren naar het museum gaan. Het is bekend dat, wanneer kinderen nooit naar een museum of concert of dansvoorstelling zijn gegaan, zij dat op latere leeftijd ook vrijwel nooit doen. Voor mensen die als kind die dingen wel hebben gedaan is de drempel veel lager. Natuurlijk is het ook mooi dat, wanneer een school bij het museum aanklopt met een verzoek, het museum hierop in kan spelen. Toch is kunstonderwijs niet de taak van de musea, maar van de scholen en de ouders. Ik weet ook wel dat ouders en scholen het wat dit betreft vaak jammerlijk af laten weten. En ook weet ik wel dat dit de scholen maar ten dele te verwijten is, omdat er in Nederland al decennialang op onderwijs bezuinigd wordt. Dit alles neemt niet weg dat kunstonderwijs aan jongeren niet de verantwoordelijkheid is van de musea.

Mede dankzij het subsidiebeleid van de vorige staatssecretaris voor Cultuur Rick van der Ploeg (PvdA) zijn de musea veel te ver doorgeschoten in de aandacht voor jongeren. Educatie aan jongeren mag nooit ten koste gaan van het tentoonstellingsbeleid. En al helemaal moet het museum geen `toegankelijke kunst' gaan tonen (zoals ter sprake komt in het onderzoek) om jongeren binnen te halen; dit betekent het definitieve einde van een serieus beleid. `Toegankelijke kunst' is een kunstvijandig begrip. Kunst is iets dat bijzonder complex is en over zingeving gaat.

Uit het onderzoek blijkt dat de meeste musea met hun aandacht voor schoolkinderen maskeren dat zij eigenlijk niet weten wat ze aanmoeten met het publiek waar ze werkelijk voor bestemd zijn: volwassenen. Afgezien dan van het organiseren van oppervlakkige thematentoonstellingen. Er wordt voor volwassenen wel informatie bij tentoonstellingen beschikbaar gesteld, maar of dit aansluit bij de behoeften is niet bekend. Een samenhangend educatieprogramma gericht op de eigen collectie en geschiedenis bieden de musea niet aan.

Hoger plan

De enige manier om het publiek serieus te nemen is het organiseren van tentoonstellingen die het kunstbegrip van dat publiek op een hoger plan tillen, die het in aanraking brengen met iets wat dit publiek nog niet kende. Dit zijn tentoonstellingen waar de kunst, het kunstwerk, centraal staat. De tentoonstelling moet ondergeschikt zijn aan de kunst en niet andersom. Er zijn voorbeelden te noemen waar dit gebeurt. Zoals de tentoonstelling van Jongkind in het Haags Gemeentemuseum, de kleine maar wonderbaarlijke expositie Rondom Dürer in het prentenkabinet van Museum Boymans, en het prachtige en prikkelende overzicht van het werk van de Duitse kunstenaar Martin Kippenberger in het Van Abbemuseum. In al deze gevallen verklaren de kunstwerken zichzelf, doordat ze op een voorbeeldige manier, in een verhelderende context, worden getoond. Een zaalpapier en een catalogus met leesbare teksten die verslag doen van degelijk onderzoek (zet al die conservatoren aan het werk!) zijn hierbij belangrijke instrumenten.

Educatie begint op het moment dat musea zelf hun collecties en de kunst die ze tonen serieus nemen. Ze hoeven dan ook niet meer ten prooi te zijn aan de ziekelijke vernieuwingsdrang die dicteert dat voortdurend naar nieuwe jonge kunstenaars gezocht moet worden.

De beeldhouwer Niek Kemps constateerde onlangs bitter in een interview in deze krant dat de omloopsnelheid van kunstenaars in Nederland zo ongeveer drie jaar is, en hij verweet de musea een consumptief beleid. Kemps heeft gelijk. Het gevolg van dit consumptieve beleid is dat hele generaties Nederlandse kunstenaars nooit in de musea te zien zijn. Als de musea al niet loyaal zijn aan de eenmaal door hen gekozen kunstenaars en hen steunen, wie zal dat dan daarbuiten doen? Geen wonder dat de beeldvorming van de kunst in Nederland negatief is. Zoals bijvoorbeeld een paar weken geleden bleek toen drie `technologietopmannen' en een `internetgoeroe', Ad Scheepbouwer (KPN), Gerard Kleisterlee (Philips), Roel Pieper (internet) en Rokus van Iperen (Océ), klaagden over de gebrekkige Nederlandse innovatiecultuur. Deze topmannen waarschuwden dat Nederland binnen de kortste keren `een land van toerisme en musea' zal zijn. Ik vraag me af of er in het buitenland een captain of industry is die het in zijn hoofd zou halen om in het openbaar met een dergelijk dédain te spreken over de eigen cultuur. Ook hier ligt een taak voor de musea. Topmannen moeten opgevoed worden tot sponsors en collectioneurs.

De meest educatieve tentoonstelling is een tentoonstelling waar het publiek iets van de urgentie van de kunst proeft. Waar zichtbaar wordt dat kunst een zaak is van leven of dood. Zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk het bondig uitdrukte toen hij sprak over muziek, en hetzelfde geldt voor de kunst: `zonder kunst geen innerlijk leven'.

De tentoonstelling Neverland is tot 29 februari te zien in het Museum voor Moderne Kunst, Utrechtseweg 87, Arnhem. Divrij 10-17u, za en zo 11-17u.