Pensioen in problemen

Ons pensioenstelsel wekt afgunst en bewondering bij waarnemers in andere industrielanden, omdat het op drie poten staat. Iedere 64-plusser heeft in beginsel recht op een uitkering krachtens de Algemene ouderdomswet (AOW). Deze volksverzekering wordt gefinancierd via het omslagstelsel.

Jaarlijks worden de AOW-uitgaven omgeslagen over de premiebetalers: iedereen jonger dan 65 jaar die inkomen geniet. Daarnaast maakt de overgrote meerderheid van de werknemers aanspraak op een aanvullend pensioen van de vroegere werkgever(s). Deze tweede poot van het stelsel wordt gefinancierd via kapitaaldekking. De premies – gemiddeld twee derde voor rekening van werkgevers en een derde ten laste van werknemers – worden door het pensioenfonds belegd in obligaties, aandelen en onroerend goed.

Rustende werknemers krijgen hun aanvullend pensioen uit dit collectieve spaarvarken. Dan is er nog een derde poot: besparingen die mensen zelf vormen met het oog op hun oude dag: een schuldenvrij eigen huis, een lijfrenteverzekering, een effectenportefeuille, geld op de bank.

De meeste andere industrielanden financieren hun pensioenstelsel hoofdzakelijk via het omslagstelsel. Kapitaaldekking speelt daar nauwelijks een rol van betekenis. De oudedagsvoorziening in die landen staat onder druk door de vergrijzing van de bevolking. Wanneer jongeren in verhouding steeds meer ouderen moeten onderhouden, jaagt de stijgende druk van de omslagpremie de arbeidskosten omhoog, wat banen kost. Hoge premies ontmoedigen ook het arbeidsaanbod, en drijven werkenden naar het zwarte circuit. Op een bepaald moment zal het systeem imploderen.

Een meerderheid stemt voor bevriezing van de uitkeringen of verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, om het stelsel betaalbaar te houden. Iedereen die rekent op een redelijk basispensioen (bij ons de AOW) moet bedacht zijn op het risico dat jongeren in de toekomst onvoldoende bereid zijn de vereiste, steeds hogere omslagpremie op te brengen.

Een sterk punt van het Nederlandse pensioenstelsel is dat de uitkeringen aan 64-plussers voor een flink deel kunnen worden betaald uit het aanwezige vermogen van pensioenfondsen. Veel ouderen zijn hierdoor niet volledig afhankelijk van politieke besluitvorming over de hoogte van de AOW-uitkering. De deelnemers aan regelingen voor aanvullend pensioen lopen echter andere risico's. Het rendement op het belegde vermogen kan zwaar tegenvallen – de aandelenkoersen dalen fors – of oplopende inflatie holt de waarde van vastrentende beleggingen (obligaties) uit. De inflatie zal bijvoorbeeld toenemen wanneer werkenden in de toekomst onvoldoende sparen om vermogenstitels van pensioenfondsen te kopen. De zelfde beleggingsrisico's bedreigen ook gepensioneerden, die zijn aangewezen op hun eigen besparingen (de derde poot van het stelsel).

Ons pensioengebouw trilt op dit moment op zijn poten. De AOW-uitkering loopt niet langer in de pas met de stijging van de CAO-lonen. Als uitvloeisel van het regeerakkoord is zij voortaan gekoppeld aan de (geringere) stijging van de ambtenarensalarissen. Ouderen die alleen op de AOW zijn aangewezen raken dus, niet voor het eerst overigens, achterop bij de gemiddeld verdiende salarissen.

Maar vooral de aanvullende pensioenen trekken de aandacht. De pensioenfondsen komen zwaar tekort. Zij hebben inmiddels 450 miljard euro opgepot, maar hun toekomstige verplichtingen bedragen circa 600 miljard euro. Deze wanverhouding is het gevolg van verliezen op het belegd vermogen door de aandelenkrach, de lage rente van dit moment en hoge loonstijgingen in de afgelopen jaren. De aanvullende pensioenen zijn vastgeklonken aan de salarissen. Schieten die omhoog, zoals door schaarste op de arbeidsmarkt in de tweede helft van de jaren negentig, dan nemen de lasten voor pensioenfondsen navenant toe. Toezichthouders – met name de Pensioen- & Verzekeringskamer en De Nederlandsche Bank – eisen dat de pensioenfondsen de kloof tussen aanwezig vermogen en de waarde van hun verplichtingen rap dichten. Om het gat van 150 miljard euro op te vullen, kunnen de aanspraken van deelnemers worden uitgekleed, of de premies voor het aanvullend pensioen moeten fors omhoog.

Dat laatste kost werknemers koopkracht en maakt arbeid voor werkgevers duurder. Door extra hoge arbeidskosten brokkelt de werkgelegenheid verder af. Daarom riep FNV-voorzitter De Waal gisteren het kabinet op om soepel om te springen met eisen aan de pensioenfondsen. De Waal kiest voor banen en neemt grotere onzekerheid over toekomstige pensioenen voor lief.

Ook de overheid als grootste werkgever van het land heeft alle belang bij een meer gematigde stijging van de premies voor het aanvullend pensioen. Particuliere werkgevers zijn al een ronde verder. Grote ondernemingen willen de nauwe banden met hun eigen pensioenfonds doorsnijden. Vanaf 2005 gelden nieuwe boekhoudregels, die bedrijven dwingen schommelingen in de verplichtingen van hun pensioenfonds in de jaarcijfers te verwerken. Dat onbeheersbare en onvoorspelbare miljardenrisico wil de leiding van ondernemingen niet lopen.

Aandeelhouders haten sterk schommelende winst- en verliescijfers. In de toekomst willen bedrijven er daarom mee volstaan jaarlijks een vast bedrag voor de pensioenen te doteren. In vette jaren krijgen werkgevers dan geen premiereductie meer, in magere jaren kunnen deelnemers niet langer rekenen op extra premiestortingen van de werkgever.

Door de ontkoppeling van de AOW en maximering van de premie voor aanvullende pensioenen wordt de derde poot van het pensioengebouw steeds belangrijker. Zelfstandigen waren daarop altijd al aangewezen, werknemers zullen zich er op moeten instellen meer zélf te sparen voor hun oude dag.

    • Flip de Kam