Vrede hoeft geen utopie te zijn

Het akkoord dat Israëliërs en Palestijnen in Genève hebben uitgewerkt, deelt terecht niet de illusie dat het Israëlisch-Palestijnse conflict ooit zal eindigen met een overwinning. Want die komt er niet, meent David Ignatius.

Het `Akkoord van Genève' dat maandag werd gepresenteerd – met de hypothetische voorwaarden voor een regeling van het Israëlisch-Palestijnse conflict – doet me denken aan dat oude nummer van John Lennon: Imagine. Stel je voor. Een prachtig nummer, hoe onzinnig het ook is: ,,Imagine there's no countries, It isn't hard to do, Nothing to kill or die for, No religion too, Imagine all the people living life in peace...''

Dit mag dan romantische nonsens zijn, maar het is een aardige afleiding van de werkelijkheid. En dat gevoel heb ik ook bij het Akkoord van Genève. Soms is het belangrijk om een `vredesproces' te hebben, ook al lijken de vooruitzichten op echte vrede mager. Het is net als met het bestaan van een hiernamaals – alleen al door zich voor te stellen dat er een genadige eindtoestand is, hebben mensen reden hier en nu geen vreselijke dingen te doen.

Het Akkoord van Genève werd bereikt door delegaties onder leiding van de Israëlische en Palestijnse oud-ministers Yossi Beilin en Yasser Abed Rabbo. Het heeft natuurlijk geen enkele status. Maar het enkele feit dat het maandag door hardliners van beide partijen werd afgekraakt, getuigt van de macht van een idee. Het blijkt al een provocatie om zich voor te stellen hoe de vrede eruit zou kunnen zien.

De laatste die de waarde van vredesbesprekingen heeft ingezien is de jonge president van Syrië, Bashar Assad. In een interview afgelopen zondag met de New York Times riep Assad de regering-Bush op het Syrisch-Israëlische vredesproces nieuw leven in te blazen. ,,Je kunt niet alleen maar over zo'n droombeeld blijven praten'', zei hij, ,,je moet ook een mechanisme in werking stellen om het te bereiken.''

Assads proefballon was goed getimed. Hij weet dat de regeringen van Bush en Ariel Sharon behoefte hebben aan een afleiding van de problemen in hun respectievelijke bezette gebieden. En hij weet dat de dertig jaar die zijn vader Hafez Assad aan de macht wist te blijven deels te danken waren aan een permanent vredesproces – dat nooit helemaal tot een definitief verdrag heeft geleid, maar ook nooit in oorlog is ontaard. De Imagine-fantasie die de Israëliërs en Palestijnen in Genève hebben uitgebeeld is fraai gedetailleerd, met landkaarten, tijdschema's, bijlagen en alle andere bijzonderheden van een echt vredesverdrag. Het verdeelt de wegen, het luchtruim en zelfs het `elektromagnetische veld'. (,,Partijen zullen elkaar niet hinderen in hun gebruik van het elektromagnetische veld.'')

Belangrijker was dat de `onderhandelaars' hebben geprobeerd de laatste en moeilijkste kwesties op te lossen – waar alle eerdere vredesprocessen op stuk zijn gelopen. Ze zijn het eens geworden over een formule om de zeggenschap over Jeruzalem te delen. Ze hebben een plan opgesteld om het Palestijnse `recht op terugkeer' onschadelijk te maken, waarin vluchtelingen een `permanente verblijfplaats' wordt gegarandeerd, maar niet per se binnen Israël. Ze hebben een multinationale strijdmacht voorgesteld om de veiligheid van beide partijen te waarborgen.

Critici zullen misschien stellen dat zo'n concretisering misleidend is en de onzinnigheid van het Akkoord van Genève alleen maar versterkt. Maar datzelfde verwijt kan elke poging worden gemaakt om in oorlogstijd over vrede te spreken. Door elk adres binnen Israël en de Palestijnse Autoriteit een exemplaar te sturen, hebben de opstellers de burgers aan weerszijden de gelegenheid geboden om zich een andere toekomst voor te stellen. Dat is op zichzelf al subversief.

De compromisgedachte die besloten ligt in het Akkoord van Genève is een bedreiging voor degenen die denken dat ze alles kunnen krijgen. Het is een bedreiging voor Sharon, die beloofd heeft dat zijn harde aanpak de veiligheid zou brengen die de Israëliërs eisen. En het is bedreigend voor de militante moslims die beweren dat zelfmoordaanslagen een gedemoraliseerd Israël uiteindelijk tot capitulatie zullen dwingen.

Maar de echte illusie in het Israëlisch-Palestijnse conflict is de gedachte van een overwinning. Die komt er niet – hoeveel zelfmoordaanslagen of verwoeste huizen beide partijen er ook tegenaan gooien. Dan lijkt het idee van een overeengekomen vredesregeling toch praktischer. Het bevalt mij wel dat de Israëliërs en Palestijnen deze week in hun eigen huis de kaarten en bepalingen van het Akkoord van Genève zitten te bekijken en tegen elkaar zeggen: ,,misschien is dit toch niet zo'n gek idee.''

Dat is de waarde van de denkoefening die afgelopen week in Genève is verricht – dat ze een ogenblik de mogelijkheid van vrede even reëel heeft laten lijken als heersende staat van oorlog. Ja, verstandige mensen moeten waakzaam en vastberaden zijn. Maar stel je voor...

David Ignatius is columnist. © Washington Post Writers Group