Jongere in cel lijdt vaak aan stoornissen

Negentig procent van de jongeren die een straf van langer dan drieënhalve maand uitzit in een jeugdgevangenis heeft psychiatrische stoornissen. De behandeling van deze groep is nu in de meeste gevallen niet toereikend.

Dit concludeert kinder- en jeugdpsychiater Coby Vreugdenhil, die vandaag is gepromoveerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Van de jongeren die zijn veroordeeld tot behandeling in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) lijdt eenzelfde percentage aan psychiatrische stoornissen.

Volgens Vreugdenhil moeten alle jongeren die veroordeeld worden tot een lange gevangenisstraf of een PIJ uitgebreid psychiatrisch onderzocht worden. ,,Sommige psychische stoornissen komen alleen na een intensieve screening naar voren. Vervolgens kan de jongere een behandeling krijgen die past bij de problemen.''

Jaarlijks komen ongeveer 41.000 jongeren in een politiecel terecht. Van hen moeten er een achtduizend voor de kinderrechter verschijnen. Zij krijgen meestal een korte celstraf van enkele weken. Zo'n zeshonderd jongens (en een enkel meisje) kijgen een lange (langer dan drieënhalve maand) gevangenisstraf of een PIJ. Ze hebben meestal een ernstig zeden- of gewelddelict gepleegd.

Alle jongeren die in een politiecel komen, worden bezocht door een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. Als deze medewerker psychische problemen vermoedt, kan hij de officier of de kinderrechter adviseren een persoonlijkheidsonderzoek te laten uitvoeren. De kinderrechter maakt weer een eigen afweging. Als gevolg hiervan, zegt Vreugdenhil, is de uitkomst nogal willekeurig. ,,De ene kinderrechter redeneert: `Deze jongen blowt zoveel, behandeling is zinloos'. De ander zegt: `Deze jongen blowt zoveel, die móet behandeld worden.''

Vreugdenhil stelt dat een uitgebreide screening bij de zeshonderd zwaarste gevallen zichzelf terugverdient. ,,Wanneer behandeling bij de psychisch gestoorde jeugdige criminelen uitblijft is de kans dat zij na de straf verder in de problemen raken zeer hoog.''

Vreugdenhil ondervroeg 204 tot jeugddetentie en/of PIJ veroordeelde jongens tussen de 12 en 18 jaar in 1999. 75 procent bleek een gedragsstoornis te hebben, bij 55 procent leidde het gebruik van alcohol of (hard)drugs tot psychiatrische problemen. Van ondervraagde jongeren was een kwart van Nederlandse, een kwart van Marokkaanse en een kwart van Surinaamse afkomst.