Eén geschiedenis uit vele

Op 14 december wordt Gerard Reve tachtig. Bewonderaars van de volksschrijver lichten een favoriet citaat toe.

Bovenstaand citaat is het einde van Gerard Reves magistrale vertelling over de jodenvervolging, zonder dat dat woord ook maar één keer valt. De familie Boslowits is bevriend met de ouders van de verteller, de scholier Simon. Het gezin bestaat uit de verlamde `oom Hans' Boslowits, zijn zorgzame vrouw `tante Jaanne', hun brildragende zoon Hans junior en diens zwakzinnige broertje Otto.

In het verhaal wordt eerst minutieus een aantal schrijnende voorvallen uit het leven van de familie Boslowits opgetekend. Hoe Otto uitzinnig werd bij het horen van dansmuziek uit een koffergrammofoon. Of hoe een luikje in het benedenhuis van de familie werd aangebracht, zodat de postbode zijn bestelling precies op de werktafel van het gehandicapte gezinshoofd kon deponeren.

Na verloop van tijd larderen berichten van oorlogsdreiging, mobilisatie en militaire schermutselingen de handeling. Simon registreert nauwkeurig hoe boeken in de poldervaart worden afgezonken, de school wordt gesloten en vliegtuigen in de lucht een gevecht aangaan. Terwijl oom Hans in het ziekenhuis en Otto in een kindertehuis belandt, worden steeds meer gruwelverhalen gehoord uit de omgeving van de resterende familie Boslowits: een bevriende jongen wordt na een overtreding in elkaar getrapt, hun arts pleegt zelfmoord en bij de buren is al inventaris opgemaakt. Ten slotte worden tante Jaanne en Hans junior door twee agenten opgepakt. Kort daarop wordt ook Otto's tehuis `leeggehaald'. Een buurvrouw meldt dat oom Hans, inmiddels ondergedoken op een zolderkamer, de hoop uitsprak dat Otto `direct doodgemaakt is'. Een seizoen later maakt oom Hans met opgespaarde pillen een eind aan zijn leven. Zijn lichaam belandt in de vaart bij de ontaarde literatuur.

Het slot grijpt de lezer bij de keel. Het is van een wonderschone geserreerdheid, waarbij de details de tragedie onderstrepen: de nauwkeurige omschrijving van `alle dingen' die de mannen in het laatste huis van oom Hans bespreken; de tewaterlating die geschiedt `zonder geplas'. Aangrijpend is ook de wending die het verhaal in de laatste twee zinnen nog krijgt. Bij de verpleegster begint iets te dagen van de ware toedracht, waarvan de lezer inmiddels ten volle is doordrongen: een literaire truc die Reve later nog vaak zou toepassen. De laatste zinnen fungeren als het crane-shot in de film: de camera verheft zich van de aardbodem en doordringt ons van het besef dat dit maar één geschiedenis uit vele is – en daarmee van onze eigen nietigheid.

Zoals zoveel in Reves werk is ook dit verhaal gebaseerd op de realiteit. De familie heette Brovnitski en was van Pools-joodse afkomst. Althans, zo herinnerde Reve het zich in 1999. ,,Die familie woonde vlakbij, om de hoek, in de tijd dat joden uit de buurt werden weggehaald'', vertelde hij mij. ,,Die man en vrouw hadden twee kinderen: het ene was debiel, het andere zenuwlijer. Vader had sief gehad en was verlamd aan zijn onderlichaam. Als jood kwam je niet in het ziekenhuis. Dat werd beheerst door nazi's en de NSB. Dus werd hij in het verborgene verpleegd. Hij lag boven op zolder en hoorde dat zijn vrouw en kinderen werden weggehaald. Hij had er zelf geen fiducie meer in en zei: `Dat ze meteen worden vergast is misschien het beste.' Hij had hele sterke medicijnen tegen de pijnen opgespaard. Die heeft-ie allemaal tegelijk ingenomen. Toen was-ie dood. Hij moest illegaal worden afgevoerd van de Hobbemakade gegooid. Daar dobberde hij rond. Zou je denken. Maar omdat-ie zo mager was, is-ie meteen naar de bodem gezakt. Nog steeds liggen die botten op de bodem.''

De schrijver zweeg en sloeg een kruis.

Tom Rooduijn is journalist en auteur van `Revelaties, Gerard Reve over zijn Werk & Leven'.

    • Tom Rooduijn