De eerste Amerikaanse avant-garde

Salvador Dalí bezocht in december 1936 de Julien Levy Gallery voor de vertoning van Rose Hobart, een film van de Amerikaanse kunstenaar Joseph Cornell. Dalí - die in New York was vanwege de aan het surrealisme gewijde tentoonstelling in het Museum of Modern Art - werd op een gegeven moment woest en trapte de 16mm projector om. Niet omdat hij het zo'n beroerde film vond, maar omdat hij stikjaloers was op wat Cornell gedaan had. Een idee dat Dalí zelf ook bedacht had, tegen niemand had verteld maar dat nu toch was uitgevoerd. Cornells Rose Hobart is een found footage-film voornamelijk bestaand uit materiaal van de B-film East of Borneo (1931), aangevuld met wat shots uit andere films. Cornell vond het script van East of Borneo zo slecht - en exemplarisch voor vele Hollywood films - dat hij de film opnieuw monteerde. Hij sneed de meeste dialoogscènes weg, husselde met de volgorde en concentreerde zich op de hoofdrolspeelster, actrice Rose Hobart. Het resultaat was een betoverende film waarin de broeierige blikken en sierlijke bewegingen van Hobart centraal staan. Het hypnotische effect werd nog versterkt doordat Cornell de film projecteerde door een blauw glas en de snelheid verlaagde van 24 naar 17 beeldjes per seconde. De overgebleven dialogen en het omgevingsgeluid verving hij door een oude sambaplaat die steeds wordt herhaald.

Uit deze anekdote kan veel worden opgemaakt over de eerste Amerikaanse avant-garde beweging. Die bestond niet uit filmmakers maar uit kunstenaars, filmhistorici, fotografen en amateur-filmers, aangevuld met technici die soms ook in Hollywood werkten, maar wier hart bij de kunstzinnige film lag. Hun films, gemaakt tussen 1895 en 1940, werden gedraaid in galeries, speciaal opgerichte art-houses en amateurfilmclubs. De distributie verzorgden de kunstenaars zelf.

In 1924 introduceerde Kodak een 16mm camera, waardoor vele `lovers of cinema' hun eigen experimentele films konden gaan maken. `Lovers of cinema' is de term die filmhistoricus Herman G. Weinberg, zelf ook hartstochtelijk filmer, aan deze heterogene groep mensen gaf. Ze hielden van film en wilden het medium naar een hoger plan tillen. Hollywood verkwanselde het potentieel van cinema als kunstvorm door er te veel een verhalend medium van te maken.

Lovers of Cinema is ook de titel van een anthologie die in 1995 werd samengesteld door Jan-Christopher Horak, met als ondertitel `The First American Film Avant-Garde 1919-1945'. Horak betoogt dat de aandacht voor de latere generatie avant-gardisten, onder wie Maya Deren, Stan Brakhage en Jonas Mekas, de prestaties van de eerste generatie ten onrechte heeft ondergesneeuwd. Ook door de exclusieve belangstelling van veel filmhistorici voor de Europese avant-garde film uit de jaren twintig en dertig (Walter Ruttmann, Hans Richter, René Clair) werd de Amerikaanse evenknie over het hoofd gezien. Curator Bruce Posner stelde twintig compilaties van deze `Unseen Cinema' samen. Dit reizende programma, dat nu het Filmmuseum aandoet, is breed van opzet. Ook experimenten in de allervroegste cinema (tot 1915) horen volgens Posner bij de avant-garde. Net zoals de abstracte, geometrische patronen van Hollywood regisseur-choreograaf Busby Berkeley. Zo bestaan alle blokken uit een fascinerende combinatie van Hollywood, vroege cinema, `echte' experimenten (met licht, ritme, abstracte animatie) en films beïnvloed door modernistische kunstbewegingen. Een voorbeeld daarvan is de door het expressionisme geïnspireerde Edgar Allan Poe-verfilming The Fall of the House of Usher van James Sibley Watson en Melville Webber uit 1928, die zonder dialogen en met dubbelbeelden, décor, afwijkende camerastandpunten en associatieve montage het korte verhaal van Poe op uiterst intrigerende wijze tot leven brengt.

Unseen Cinema. Vroege Amerikaanse avant-gardefilm 1893-1941. 4 december t/m 7 januari. Filmmuseum, Amsterdam.