Werkstad

IN ROTTERDAM wonen vele tientallen nationaliteiten doorgaans vreedzaam naast elkaar. Het is een kosmopolitische stad met sterke kanten en, onvermijdelijk, grote problemen. Het is een dagelijks wonder dat er nog zoveel goed gaat. Maar nu is het armageddon toch nabij, als we Burgemeester en Wethouders moeten geloven. De stad dreigt de komende jaren overspoeld te worden door nieuwe golven van minderbedeelde buitenlanders. Nu al is bijna de helft van de bevolking allochtoon. In een rapport (Rotterdam zet door. Op weg naar een stad in balans) presenteren B en W in krasse bewoordingen voorstellen om de probleemwijken leefbaarder te maken. De ironie wil dat het debat hierover begonnen is door een lid van de in Rotterdam thans zo verketterde PvdA. Daarna viel iedereen over elkaar heen. Het stadsbestuur schiep een verkeerd soort onrust waarin van alles overhoop werd gehaald – tot en met de hoogte van de minaretten van nieuwe moskeeën toe. De kakofonie was oorverdovend en zette de stad van Erasmus in een ongunstig licht: onverdraagzaam, en geleid door bestuurders die meer zeuren dan werken.

De verdienste van het recente rapport is dat het de zaak impliciet weer tot de essentie terugbrengt: de broze sociaal-economisch structuur van de Maasstad. Het zwakke ervan is dat Rotterdam te veel van anderen verlangt – met name het rijk – om zijn plannen te realiseren. Klagen over hinderlijke wetten mag. Eisen dat de Huisvestingswet wordt aangepast om de armeren te weren is absurd. Gelet op de grotestadsproblemen is weinig tegen een beleid van economische binding, dat nu al toegestaan is. Maar daar houdt het wel op. Het gaat bovendien te ver om zowat alle moeilijkheden te wijten aan de komst van buitenlanders. Het rijk moet voorwaarden scheppen om hun instroom in goede banen te leiden. Een alert stadsbestuur had wat dat betreft al veel lobbywerk in Den Haag kunnen verrichten. Nu verrassen B en W de ministers met een aantal onmogelijke eisen.

ROTTERDAM MOET VOORAL naar zichzelf kijken. Binnen de mogelijkheden van de wet kunnen afspraken met woningcorporaties worden gemaakt. Tegen malafide verhuurders kan met gerichte actie hard worden opgetreden. Dat een specifieke aanpak loont, bewijst de teruggedrongen verloedering op het Centraal Station. De veiligheid op de tram nam toe nadat extra controleurs waren aangenomen. Het zwartrijden in de metro zal verminderen door het ingebruiknemen van toegangspoorten. Door een gerichte aanpak verbeterden de levensomstandigheden in een wijk in Hoogvliet, waar veel Antillianen wonen. Het kan, maar het gebeurt te weinig. Rotterdam moet ook zijn macht tegenover de randgemeenten beter gebruiken, die nu de lusten maar niet de lasten van het grotestadsleven dragen. Juist hier kan de stad wèl de steun van het Rijk gebruiken.

Het einde der tijden is voor Rotterdam niet nabij. Het hoofdprobleem hier is de economische monocultuur – de haven. De haven heeft altijd uitkomst geboden, maar de waarheid is dat de haven zich heeft losgezongen van de stad. Een allochtoon in Spangen kent de grootste haven ter wereld hooguit van horen zeggen. De gespecialiseerde en goedbetaalde arbeiders die er werken, wonen in een twee-onder-één-kap in Rhoon of Hellevoetsluis. Voor hen moet Rotterdam weer aantrekkelijk worden. Voor de Spangenaar uit Somalië is het van belang dat hij een stad aantreft waar weer laaggeschoold werk te vinden is. Hij moet, anders gezegd, de kans krijgen – en pakken – om zich te ontdoen van dat vermaledijde etiket `kansarm'. Rotterdam heet de werkstad van Nederland te zijn. Maar in de probleemwijken is één op de twee bewoners werkloos. Dat is het echte schandaal van Rotterdam. De stad heeft het vermogen in zich om dit zelf te bestrijden.