Wachten op 2007?

Goed anderhalf jaar na de moord op Pim Fortuyn lijdt de LPF een kwijnend bestaan. Met het verdwijnen van haar naamgever is gaandeweg ook de belangstelling van de burgers voor haar programmatische boodschap (`wij zijn ontevreden, en wel hierom') drastisch verflauwd. Wat niet wil zeggen dat er in de toekomst geen kansen meer zijn voor nieuwe dragers van de fakkels van nationale ontevredenheid. Daarover vallen nog best wat symposia te organiseren of boeken en boekjes te schrijven. Maar het moet toch raar lopen wil daarbij dan hier en daar niet worden opgemerkt dat het bestaande systeem, het bestaande bestel, al met al toch sterker en veerkrachtiger is gebleken dan velen in de politiek en de media de eerste maanden na Fortuyns dood dachten, de borst opengerukt in hevige zelfkritiek, boetedoening en spijt.

De leiders van de coalitiefracties in de Tweede Kamer heten nu Verhagen (CDA), Van Aartsen (VVD) en Dittrich (D66) en allang niet meer Balkenende, Zalm of De Graaf, drie mannen die intussen (weer) minister zijn. Bij de PvdA is Melkert heengegaan. Zij opvolger staat na een mooie vliegende start alweer een tijdje in een eigenaardige sur place tussen wat de politicus Bos en de mens Bos wil. De eerste wil vernieuwen en de baas zijn. De tweede weet nog niet zeker of, hoe lang en onder welke omstandigheden hij politiek leider wil blijven en zou in elk geval graag een werkdag per week thuis van zijn (aanstaande) vaderschap willen genieten. In de geschiedenis van het sociaal-democratisch leiderschap zou dat een primeur zijn. Een mooie voor kiezers die met hun partners de verplichtingen van werk en huishouden willen of moeten delen, maar ook een waarvan politieke ambitie of praktische zin je niet als een eerste kenmerk opvalt. De door Bos bewonderde Den Uyl deed veel voor zijn vrouw, maar zóveel toch ook weer niet. Bovendien zou de kiezer die zijn stem niet op de parttime huisman maar op de politicus Bos uitbracht, zich kunnen afvragen of hij zoiets niet vooraf, voor de verkiezingen, had moeten vertellen. Zoveel is zeker: als leider van de oppositie heeft Bos nog maar weinig plezier kunnen beleven. Er is intussen een sociaal akkoord en in de dossiers uit het eerste, mislukte gedeelte van de kabinetsformatie is na te lezen tot welke grote bezuinigingen Bos nog maar een maand of acht geleden zelf bereid was. Dat maakt het opponeren op een realistische grondslag nu moeilijk, wat een last voor de PvdA en een lust voor de SP en GroenLinks is. Het echte gevecht om het beleid wordt tussen de coalitiepartijen en die partijen en het kabinet gevoerd. Het betreft marges in een saneringsbeleid, waarvan de regeringspartijen weten dat er zij er nu slechte opiniecijfers en in het beste geval pas over een paar jaar, zeg in 2007, dankbare kiezers voor krijgen.

Terug naar het rijtje Verhagen, Van Aartsen en Dittrich, een mooi trio van politieke vaklui, elk van hen laat zien wat in hun partijen, zonder merkbare invloed van de Fortuynse revolutie, gaandeweg veranderd is. Eerst Dittrich, die voor de keus stond tussen: 1) wat velen in en buiten D66 voor `verraad' hielden, namelijk het CDA en de VVD aan een meerderheid helpen en 2) wat velen zagen als een onbetekenende rol van D66, als vierde oppositiepartij op weg naar het einde. Dittrich koos voor de eerste variant en kreeg terug voor zes Kamerzetels: twee ministers, een staatssecretaris en een behoorlijke invloed op het regeerakkoord. En, bovendien, veel aandacht in de media, waarvoor de fractieleider permanent beschikbaar is. Want waar het ook over gaat, welke radio- of tv-zender ook aan bod is, het is steeds Boris die uitlegt waarom zijn club nu wel of niet, helemaal of gedeeltelijk, zo voor of tegen de ene of de andere beleidsoptie is. Al gaat het om een spelletje of een quiz, als er camera's of microfoons in de buurt zijn is hij present. Kortom: hij vecht voor zijn politieke leven, en dat van D66, en lijkt in enkele maanden al meer kijk- en luistertijd te hebben gehad dan zijn voorganger De Graaf in vier jaar. Knap werk, al zou je je kunnen voorstellen dat andere leden van de fractie van D66 zich af en toe iets tekortgedaan voelen. Maar dat zeggen ze natuurlijk (nog?) niet, en dat komt mooi uit.

Dan Maxime Verhagen, de man die graag als minister of staatssecretaris naar Buitenlandse Zaken was gegaan maar nu als rooms-katholieke CDA-fractieleider de eerste slippendrager moet zijn van een jonge protestantse premier. Dat is niet anders, want de dagen zijn allang voorbij dat de machtige confessionele politiek in het centrum (de KVP ooit) als het ware twee leiders had, een in de Kamer en een in het kabinet. Waarbij de fractieleider in de Kamer de taak had de `andere' electorale flank te dekken en een politiek contrapunt te zijn ten opzichte van de eerste partijgenoot in het kabinet (zoals KVP-fractieleider Schmelzer dat was tegenover het kabinet van de geestverwante premier Cals). In het kader van het afgesproken dualisme tussen kabinet en Kamer slaagt Verhagen er, gegeven de krappe marges, tot nu toe redelijk in om zijn fractie een eigen rol te laten spelen, bijvoorbeeld om het zogeheten `sociale gezicht' van het CDA te tonen. Dat doet hij vooral om concessies die premier Balkenende in het kabinet aan de VVD-collega's heeft moeten doen, weer zoveel mogelijk ongedaan te maken. Wat in zoverre een maskerade is, dat Balkenende en de VVD dat óók weten. Zo gezien heeft een oordeel over Verhagen iets van een toneelrecensie. Maar er zijn ergere dingen.

Tenslotte: Jozias van Aartsen. Binnen een half jaar heeft hij eerst tegen de zin van VVD-leider Zalm diens favoriet De Grave verslagen in de stemming over het fractievoorzitterschap en vervolgens Zalm naar diens eigen zeggen afgelost als politiek leider. Dat is in de VVD nog nooit vertoond. Ooit was hij naaste medewerker van de jonge Hans Wiegel, daarna directeur van het wetenschappelijk bureau van de VVD. Een briljante carrière als ambtenaar volgde, daarna was hij (1994-2002) minister van Landbouw en van Buitenlandse Zaken. Hij sprak premier Kok wel eens tegen en vroeg als minister van Buitenlandse Zaken in gevoelige kwesties (inzake Oost-Timor bijvoorbeeld) soms wat meer geduld dan de vaste Tweede-Kamercommissie of de leden van de parlementaire pers geboden achtten. Zodoende werd hij ooit al eens aan de politieke vuilnisman meegegeven, onder meer als de ,,Karin Adelmund van ons buitenlands beleid''. Dat was overdreven, zoals het overdreven is om Van Aartsen nu, na enkele goed gelukte optredens, al te zien als de nieuwe, exclusieve schutspatroon van het politieke dualisme. Een pseudo-Lazarus als geslaagd fractieleider is al aardig wat. Of hij als mix van de volksnahe Wiegel en de intellectuele nederlagenstrateeg Bolkestein ook stemmen kan trekken moet nog blijken. En dat is, wait and see, anderhalf jaar en langer na de moord op Pim Fortuyn, even belangrijk als daarvoor.

    • J.M. Bik