Stadsboerin

De kat eet slecht en loopt moeizaam. Toch kan de dierenarts niets vinden. Thuisgekomen scheurt de kat de trap op richting etensbak.

Met mijn oudste kat (de moeilijkste, altijd bang en wantrouwig) zit ik in de wachtkamer van de dierenarts. De patiënt vóór ons, een Ierse setter, komt de spreekkamer uit en krijgt van de assistente een koekje. Pal voor de poezenmand slokt hij het haastig en knarsend op. Voor mijn dikke angsthaas zijn honden de as van het kwaad, dus daar worden geen brokjes maar kattenruggetjes gekraakt en vermorzeld, terwijl het kwijl van het monster op de vloer drupt. Nu zijn wij aan de beurt. Bij het optillen helt de mand sterk achterover; als een zware, harige voetbal heeft mijn kat zich tegen de achterwand geworpen.

De dierenarts en ik krijgen haar met vereende krachten op de behandeltafel. Ik houd haar stevig vast en ruik het wonderlijke, sukadeachtige luchtje dat van haar afkomt in dit soort situaties. Ik heb twee schrammen op mijn handen.

,,Wat is er met jou aan de hand?'' vraagt de dierenarts.

De dikke zwijgt en kijkt mij strak aan, dus ik doe het woord. We eten slecht en lijken aan spierzwakte te lijden. Eergisteren, bij het nemen van het uit drie treden bestaande trapje naar het terras, is ze achterover gevallen – door de eigen hangbuik opgeduwd en omgekiept als het ware – en sindsdien heeft ze de sprong niet durven herhalen. De dierenarts kijkt, voelt, luistert en temperatuurt met als enige bevinding dat mevrouw slecht gepoetste tanden heeft. Val je daardoor achterover van trapjes? Nee, en dat kan ook de oorzaak van het slechte eten niet zijn, maar verder is er niets te vinden. Is er bij ons soms een verbouwing aan de gang? Heersen er stressvolle toestanden? Is er onlangs iemand uit ons huishouden verdwenen of juist bijgekomen? Deze dierenarts heeft veel gevoel voor de kattenziel.

Even later staan we weer buiten; twee blikjes duur, superzacht voedsel in mijn tas om desgewenst met behulp van bijgevoegd spuitje in de bek van felix domesticus in te brengen; hoeft ze alleen nog maar te slikken.

,,'t Is weer psychisch, hè?'' zeg ik tegen het mandje. ,,Dat was dan drieëndertig euro vijftig.''

We fietsen naar huis en ik denk aan Rusland. Onlangs berichtte `onze correspondent in Moskou' van deze krant dat een energiebedrijf in het oosten van Rusland nieuwe maatregelen heeft aangekondigd tegen mensen die hun gas- en lichtrekening niet betalen. Men gaat de huisdieren van de wanbetalers in beslag nemen. De orde van deurwaarders in Vladivostok stemt ermee in en wijst alleen op het gebrek aan asiels en stallen om al die honden, katten, koeien en kippen op te vangen. Het energiebedrijf kent de zwakke plek van zijn klanten, want de band tussen de Rus en zijn huisdier is zeer innig, stond in het bericht. Grootmoedertjes die honger lijden, maar hun poes dure Whiskas voeren, komen veelvuldig voor. Sociologen wijzen erop dat Rusland ,,relatief recent de omslag van een rurale naar een urbane samenleving maakte. Veel Russen zijn diep in hun hart nog altijd `stadsboeren' die hunkeren naar dierengeur in de huiskamer''. Anderen zien huisdieren als ,,emotioneel substituut voor desintegrerende sociale en familiebanden''.

Het artikeltje heeft me niet losgelaten. Zouden ze dat echt doen, heb ik me de afgelopen weken al een paar keer afgevraagd. Voor mijn geestesoog schurken koude parkietjes zich in grauwe loodsen tegen elkaar aan en zitten gegijzelde honden op een spuitje te wachten naast ongemolken geiten. Je leest in de krant zelden hoe het verder gaat met zulke dingen. Kan de correspondent dat mischien binnenkort nog eens melden?

Door het centrum van Amsterdam fietsen en met één hand een zware kattenmand op het achterrekje in balans houden vereist behendigheid en soepele schouderspieren. Soepeler dan de mijne, want op zeker moment houd ik het niet langer vol, wil de mand even naast me neerzetten, maar val daarbij over mijn eigen fiets heen. De mand weet ik nog zonder rotsmak op het trottoir te krijgen, maar ik schaaf lelijk de muis van mijn hand en, door mijn broek heen, een knie.

,,Ochgod, lieverdje'', zegt een passerende oude dame tegen de kat.

Verder maar weer. Tussen trambellen en scootergeknetter door meldt mijn huisgenote met regelmatige tussenpozen dat er in dit mandje geleden wordt.

,,We gaan in Vladivostok wonen. Komen ze je ophalen!'' roep ik achterom.

Thuisgekomen staan we nog niet voor de voordeur of de mand begint heen en weer te schudden: de zieke is gaan springen. Zodra we in de hal staan, laat ik haar los. Ze vliegt voor me uit, scheurt in één ruk de trap op en zit al aan de huisdeur te krabben als ik bovenkom. Spierzwakte, ja. Binnen vreet mijn emotionele substituut meteen haar vanochtend afgekeurde bak voer leeg, slobbert daarna een bord kattenmelk op, springt op de ombouw van de verwarming en gaat zich uitgebreid wassen. De andere kat (nooit ziek, altijd vrolijk) heeft uit solidariteit wat meegegeten en gedronken en gaat in de buurt zitten spinnen. Ik spoel het bloed uit mijn broekspijp, plak pleisters op knie en handen, probeer mijn schouders te masseren en ga thee zetten.

De stadsboerin is weer thuis. Het is gezellig in de stal, het ruikt er lekker naar beesten.

    • Rascha Peper