Rotterdams monoculturele drama

We geloven er gewoon niet meer in, zei een verbitterde Rotterdamse in een van de oudere wijken gisteren op de televisie, in een reportage over het actieplan Rotterdam zet door. Op weg naar een stad in balans, dat het stadsbestuur heeft gepresenteerd om het verval van de stad te keren.

Het was een treurige boodschap, en een die meteen duidelijk maakt wat het grote verschil altijd is geweest tussen Rotterdam en de andere grote steden, Amsterdam voorop. Rotterdam was iets om in te geloven. Rotterdammers zijn sinds de wederopbouw na de oorlog altijd trots geweest op hun stad als een gezamenlijke klus, bedoeld om het met zijn allen `beter te krijgen', dankzij een combinatie van hard werken, nuchtere inzet en een overigens opvallend flegmatieke levenshouding. Rotterdam komt zo op Nederlandse maat in de buurt van het Amerikaanse droomideaal: pragmatisch, moeiteloos vanaf nul beginnen, en met het vooruitzicht dat elke nieuwe generatie het beter krijgt.

Maar intussen doet Amsterdam het op veel fronten, ondanks het stigma van de nationale beerput, beter dan de Maasstad. Het rapport van het Rotterdamse college is een staalkaart van sociale ellende en teloorgang: werkloosheid, verpaupering van oude wijken, een toestroom van asielzoekers en immigranten die niet meer te verwerken is, en een gemeente die zijn arsenaal aan normale beleidsinstrumenten uitgeput ziet raken. De drastische maatregelen die nu zijn voorgesteld, inclusief eisen aan inkomen en inburgering van nieuwkomers en een algemene identificatieplicht, getuigen van de paniek in het college. Die eisen zullen grotendeels worden gesteld aan allochtonen, al gaat het niet om `kleur': zij zijn nu eenmaal de snelst groeiende groep in de stad. Zie de inleiding van het rapport: de `aandachtsgroep' van Surinamers, Antillianen, Kaapverdianen, Turken, Marokkanen en mensen uit `overige arme landen' zal in 2017 bijna de helft van de stadsbevolking uitmaken. Nu is dat nog een derde.

Ligt het dan weer aan de buitenlanders? Het rapport onderstreept keer op keer dat het gaat om `kansarmen' en `sociaal zwakken', niet om etniciteit per se. Gesignaleerd wordt ook de groei van het scholingsniveau onder allochtonen, een positieve maar trage ontwikkeling. Voordat we nu ook de neergang van Rotterdam weer exclusief op conto schrijven van buitenlanders en natuurlijk vooral de moslims, kan het bovendien geen kwaad de geschiedenis van de stad in een wat breder historisch perspectief te zien. De moderne Maasstad, in feite een product van de Nieuwe Waterweg en Zeeuwse migratie, is het slachtoffer van een immens monocultureel drama. Het lokale bestuur heeft na de kaalslag van 1940 onder het adagium van de opgestroopte mouwen een stad neergezet die in tal van opzichten veel te eenvormig is, zoals in het rapport pijnlijk duidelijk wordt. Een arbeidsmarkt die grotendeels afhankelijk is van de haven. Een woningvoorraad die voor het overgrote deel bestaat uit goedkope huurwoningen (het rapport: `Rotterdam is mede door de fysieke infrastructuur een stad met veel lage inkomens en mensen met een laag opleidingsniveau'). Daarnaast een cultuurbeleid dat de laatste jaren wel nadrukkelijk catert naar de wensen van film- en poëzieyuppies (die vooral uit Amsterdam op bezoek komen) maar de lagere middenklassen links laat liggen. Economisch begon Rotterdam het al in de jaren tachtig af te leggen tegen de grote tegenvoeter Amsterdam, en van de hausse en opwinding van de jaren negentig over IT en kennistechnologie heeft de stad nauwelijks geprofiteerd.

Resultaat: een stad die de laatste tien jaar in hoog tempo onderhevig is aan, zoals dat met een fraaie drieslag heet, verjonging, verarming en verkleuring. De stad werd een magneet voor kansarmen en mensen die willen onderduiken: het is geen toeval dat een aantal arrestaties van terrorisme-verdachten juist in oude Rotterdamse volksbuurten plaatsvond: daar is altijd wel een goedkope woning te vinden van een huisjesmelker die geen vragen stelt. Het optimisme van de groei-jaren, waarin met de auto werd gewinkeld in het stadscentrum of in koopcentra in de buitenwijken, heeft plaatsgemaakt voor een bijna tastbaar gevoel van verval. Wie wel eens door een wat ouder winkelcentrum in Rotterdam loopt, overdekt en toch alweer afgetrapt, voelt de stille teleurstelling.

Dat is een ontwikkeling die vooral de Rotterdamse sociaal-democratie en de plaatselijke elite zich kunnen aantrekken: de plaatselijke politiek maar ook de oude topklasse van bankiers en havenbaronnen heeft te weinig gedaan om de sociale mobiliteit van de bevolking mogelijk te maken binnen de eigen stadsgrenzen. Het ideaal onder Bram Peper werd `Manhattan aan de Maas', van de weeromstuit een kosmopolitische droom voor een arbeidersstad die helemaal niet de juiste genen heeft voor zulke glamour. Een `Los Angeles aan de Maas', met een uitgebreider voorzieningen- en woningprogramma voor de middengroepen die een moderne woning met een tuin willen, was een beter idee geweest.

De greep van de `linkse' politiek op de stad is overigens voor een deel een mythe: Rotterdam is dan wel eenvormig, maar de bevolking heeft zich nooit zomaar gedragen als mak stemvee. Het Fortuyn-oproer, van heel Nederland het meest voelbaar in Rotterdam, was niet de eerste anarchistische oprisping van een bevolking die zich door de elite verwaarloosd voelt. Rotterdam is ook de stad van de eerste rassenrel in Nederland (de Afrikaanderbuurt) en van een reeks havenstakingen waar de klassieke vakbonden geen greep op hadden: de maoïst Paul Rosenmöller, niet bepaald een klassieke vakbondsman, bouwde zijn carrière niet voor niets op in Rotterdam, en niet in de Amsterdamse haven waar de gevestigde bonden hem in een oogwenk over de slagboom hadden gezet. Dus is het goed dat er nu iets gebeurt? Jazeker. Maar het actieplan van de gemeente stemt ook treurig. De wanhoop spat bijna van de pagina's, en de boodschap is in feite zeer on-Rotterdams: de stad `kan het niet meer aan', het Rijk moet bijspringen. De mouwen moeten nu in Den Haag worden opgestroopt, om te voorkomen dat Rotterdam, aldus CDA-wethouder Van der Tak, een Nederlandse versie wordt van het verpauperde Baltimore.

Dat is een onrustbarende conclusie. Een Rotterdam dat niet meer in zichzelf gelooft, als stad, belooft weinig goeds voor de rest van Nederland.

    • Sjoerd de Jong