Pensioenreserves in 10 jaar vervlogen

De financiële positie van de pensioenfondsen is de afgelopen tien jaar nog veel dramatischer verslechterd dan tot nu toe bekend was. Uit nieuwe cijfers van de toezichthoudende Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) blijkt dat het vermogen van de fondsen begin jaren negentig ruim twee keer zo groot was als hun pensioentoezeggingen.

Nu is dat vermogen net meer dan eenmaal hun verplichtingen. Samen hebben de pensioenfondsen 455 miljard euro beleggingen, waarmee de (toekomstige) pensioenen van negen van de tien werknemers moet worden betaald.

Bij deze nieuwe cijfers zijn niet alleen de bezittingen van pensioenfondsen, zoals beleggingen in aandelen, tegen de marktwaarde becijferd, maar ook de pensioentoezeggingen. De fondsen moeten hun beleggingen nu al tegen de actuele beurskoersen in hun boeken opnemen, maar de PVK wil marktwaarde als uitgangspunt ook verplicht stellen voor de pensioenverplichtingen. Doordat voor de verplichtingen geen markt bestaat, moet de pensioenwereld de waarde zelf schatten op basis van richtlijnen van de PVK. Nu mogen de pensioenfondsen de toekomstige waarde van hun pensioenen becijferen op basis van een rente die maximaal 4 procent is. Hoe lager de rente, hoe hoger de huidige waarde van de toekomstige verplichtingen en andersom. Begin jaren negentig was de rente aanzienlijk hoger dan nu, en de waarde van de verplichtingen dienovereenkomstig lager.

Uit PVK-cijfers blijkt dat de pensioenwereld begin jaren negentig een formidabele buffer bezat die nu vrijwel volledig is vernietigd. De buffer verdween door rentedaling en koersval, maar ook door structureel te lage pensioenpremies. Deze premies worden vastgesteld door werkgevers en vertegenwoordigers van werknemers, die doorgaans ook de pensioenfondsbesturen vormen. De PVK verscherpte eind vorig jaar zijn toezicht en hamert sindsdien op de noodzaak van minimaal kostendekkende premies om de pensioencrisis te bestrijden.

    • Menno Tamminga